Profiel Zingen
NIEUWS | TEGENSPRAAK | SUPPLEMENT | AGENDA | ARCHIEF | ADVERTENTIES | SERVICE 





ZINGEN
SCHREEUWEN IS VERBODEN
INFORMATIE
TECHNIEK
STEMBEREIK
ZANGLERARES
ZINGEN DOE JE MET JE LICHAAM
POP
JAZZ
ONDERWIJS
OPLEIDINGEN
BARBARA BONNEY
VOCAAL FESTIVAL



Overzicht eerdere
afleveringen Profiel

Het hele lijf doet mee

Zingen is een sport. Enkele heel korte spiertjes worden jarenlang getraind om de gewenste klank te kunnen produceren. Voor de meeste zangers komt echter de muzikaliteit op de eerste plaats.

Paul Luttikhuis

DIT WORDT een riskant verhaal. Over zingen bestaan namelijk net zoveel theorieën als er zangpedagogen zijn. Wat de een ziet als een absolute waarheid, is voor de ander het zuiverste amateurisme. Zangles geven is nu eenmaal geen exacte wetenschap - hoewel, ook dat kan alleen met de nodige slagen om de arm worden neergeschreven. Er bestaat veel literatuur, vaak prachtig en met een mathematische precisie geïllustreerd, die het tegendeel doet vermoeden.

Toch is het niet voor niets dat zangers het altijd hebben over hun 'pedagoog', in tegenstelling tot bijvoorbeeld pianisten die liever het prozaïsche docent of leraar gebruiken. Zingen leer je niet, in zingen word je opgevoed. De band tussen zanger en pedagoog lijkt op die tussen ouder en kind. Vanaf de haperende begintoontjes tot aan de eerste schreden op het podium wordt een zanger door de pedagoog begeleid. En net als bij ouders houdt het ook daarna nooit helemaal op. Zelfs de beroemdste operasterren willen hun zangpedagoog voorafgaand aan een optreden nog wel eens raadplegen. Weggaan bij een docent geldt in de zangerswereld al gauw als een vorm van hoogverraad.

Een zanger heeft wat dat betreft ook iets gemeen met een sporter. Schaatsers en tennissers zijn even trouw aan hun trainer als zangers. De vergelijking gaat nog veel verder. Want ook zingen is een vorm van topsport. Maar de paar spiertjes in het strottenhoofd waarmee die sport wordt bedreven zijn nauwelijks een centimeter lang. In jarenlange oefeningen moeten ze worden getraind om zich precies zo te plooien als de zanger het wil.

Het gaat bij zingen echter niet alleen om activiteiten in het strottenhoofd. Het hele lijf zingt mee. Door de bilspier een fractie aan te spannen krijgt een toon net een andere kleur. Ademsteun en daarmee de positie van het middenrif, die blaasbalg die de luchtstroom gaande houdt, is essentieel. En de manier waarop de drie belangrijkste holtes (in neus, mond en borst) in het lichaam resoneren, beïnvloedt de kracht van de zogeheten boventonen die tegelijk met de grondtoon klinken en het timbre van een stem bepalen.

Zangdocenten zullen het woord stembanden veelal vermijden, om te voorkomen dat leerlingen de aandacht te veel richten op hun keel. Want de kunst van het zingen is inbeelding. De pedagoog vraagt een leerling bijvoorbeeld om te zingen alsof zijn achterhoofd met een draadje aan het plafond hangt, of in te ademen alsof je aan een roos ruikt. De klank kan het beste achterlangs en dan via een punt op het voorhoofd gericht worden. Het middenrif uitzetten lijkt op het uitrollen van een mat. En om hoge tonen ontspannen te laten klinken kan het helpen om te denken aan een emmer water die je over je hoofd naar achteren leeggooit.

De Franse fysicus, en zelf ook zanger, Raoul Husson ging zelfs zo ver dat hij stelde dat de stembanden in eerste instantie door de hersenen in trilling worden gebracht. Door aan een toon te denken gaat er een signaal met de betreffende frequentie via de zenuw naar de stembanden. Niet de luchtstroom die door de stembanden wordt gestuurd, maar de frequentie van de zenuwprikkel bepaalt volgens Husson de toonhoogte.

Prof. H.K. Schutte van de Rijksuniversiteit Groningen stelt daarentegen vast dat toonvorming een zuiver mechanisch en aerodynamisch principe is. Door lucht door het strottenhoofd te persen (daar heb je het al, een totaal verkeerd woord, want zodra de zanger perst, helpt hij de klank om zeep), worden de stemplooien in trilling gebracht en ontstaan verdichtingen en verdunningen van de luchtdruk die een toon opwekken.

De snelheid waarmee die luchtdrukverschillen elkaar opvolgen bepaalt de toonhoogte. En die snelheid is afhankelijk van de trilling van de stemplooien. De druk onder de stemplooien bepaalt de luidheid, en geschoolde zangers kunnen die nog eens versterken door goed gebruik te maken van de resonantieholtes. De spanning van de stemplooien en in uitzonderlijke gevallen ook het gedeelte ervan dat in trilling wordt gebracht, bepaalt de frequentie of toonhoogte. Dit geheel wordt aangestuurd door een conglomeraat van spiertjes.

Toch zullen maar weinig zangers de musculus vocalis en de musculus crico-arytaenoideus posterior kennen. Laat staan dat ze weten hoe die de klank precies beïnvloeden. Zelfs veel zangpedagogen hebben weinig benul van de fysiologie van de strot - al zullen ze dat niet graag toegeven. Waarom zouden ze het ook moeten weten, luidt vaak de verdediging. Een pianist heeft tenslotte ook geen idee met welke spiertjes zijn vingers over de toetsen roetsjen.

Prof. Schutte heeft wel begrip voor die onwetendheid, al zou volgens hem inzicht in de werking van het stemapparaat ook zangpedagogen kunnen helpen bij het oplossen van stemproblemen. De overleden Haagse KNO-arts en foniater J. van Deinse, auteur van De stem in beeld, is strenger. Omdat een zanger zijn instrument met zich meedraagt, ja, zelf zijn instrument is, beschouwt hij theoretisch inzicht als heel belangrijk. ,,Een gedegen kennis van de fysiologie is voor de zanger en voor de pedagoog van onmisbaar belang'', schrijft Deinse. ,,Uitbreiding van de wetenschappelijke kennis omtrent het zingen geeft ook directere methoden om het zingen te leren beoefenen. Hoe meer de pedagoog deze kennis machtig is, hoe gemakkelijker hij of zij de techniek aan de leerling kan overdragen.''

Waarschijnlijk heeft Deinse gelijk. Al zal zijn gelijk pas blijken op het moment dat een zanger door een foute techniek vastloopt. Een bariton kan zijn stem ruïneren door - bijvoorbeeld in de veronderstelling een tenor te zijn - te lang repertoire te zingen dat niet met zijn lichaamsbouw overeenstemt.

Maar alle fysiologie ten spijt, uiteindelijk regeert voor de zanger toch de muzikaliteit. En daar gaat techniek deels over in smaak. Zoals de een graag een subwoofer aan zijn audioapparatuur toevoegt omdat het geluid dan lekker donker wordt, heeft de ander een voorkeur voor drieweg-speakers met krachtige hoge frequenties. Onder zangpedagogen is dat niet anders. Sommigen zweren bij natuurlijkheid en eenvoud, anderen kiezen bewust voor een meer geacheveerd stemgeluid. De een probeert ieder vibrato eruit te gooien (behalve smaak is dit ook een kwestie van stijlopvatting) de ander houdt juist van een vette klank.

Het beantwoorden aan zo'n klankideaal vergt jaren van training. Al die spiertjes, resonantieholtes en de ademhaling moeten volledig onder controle zijn. Wie zich realiseert wat daarbij allemaal komt kijken, begrijpt dat het een wonder is dat een zanger in staat is om in gedachten een voorstelling van een toon te maken, zijn mond open te zetten en dan precies de juiste klank te produceren.

NRC Webpagina's
20 JANUARI 2000


   Bovenkant pagina


NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl) JANUARI 2000