U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
teller
   Z A T E R D A G S   B I J V O E G S E L
( a d v e r t e n t i e )        
De Waddenzee op Internet


NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 

  NIEUWSSELECTIE  
  KORT NIEUWS  
  RADIO & TELEVISIE  
  MEDIA  

Teruggestuurde Bosniërs verlangen naar Duitsland

Gewend aan het goede leven


Verwend, dat zijn de Bosnische vluchtelingen in Duitsland. En dat is pas goed te merken nu ze massaal zijn terug- gestuurd naar hun vaderland. De afgelopen twee jaar zond Duitsland, al dan niet vrijwillig, meer dan 250.000 Bosniërs terug. Met een fortuin aan wederopbouwprojecten in Bosnië en terugkeerpremies erbij. Maar dan nog: veel klagen. 'Waarom heb ik geen garage bij mijn huis? En geen deurbel? Waar is de telefoonaansluiting?'

Petra de Koning

Zes jaar en twee maanden woonde Fikret Kurtic (40), met zijn vrouw en twee kinderen in Dinslaken, in de buurt van Duisburg. Hij keek televisie, wandelde door de stad, voetbalde met zijn zoontje. Af en toe werkte hij bij een autosloperij. ,,Ik had een goed leven'', zegt Kurtic.

Hij zit in de keuken van het huis van zijn ouders, in Mambasici, een gehucht in noordoost-Bosnië. Hij draagt een donkerblauwe joggingbroek, suède pantoffels, een gouden ketting, een Adidas-sporthorloge. In 1993 verwoestten Servische soldaten zijn dorp, twee buurjongens werden gedood. Kurtic zat toen allang in Duitsland. En dat, zegt hij, zullen de mensen hier nooit vergeten. Fikret Kurtic had moeten vechten voor zijn volk, vinden ze. Maar hij spaarde Duitse marken van zijn uitkering en kwam terug in een Volkswagen Golf. ,,Ze praten erover, achter mijn rug.''

In juli dit jaar zette de Duitse regering Kurtic het land uit. Nu helpt hij zijn vrouw met houthakken, hij veegt sneeuw van de stoep, melkt de geit, kijkt televisie. Voor de oorlog was Kurtic kraandrijver. Maar de fabriek waar hij werkte ligt nu in Bosnisch-Servisch gebied en Kurtic is moslim. Een nieuwe baan zoekt hij niet. ,,Dat heeft geen zin. Er zijn zoveel mensen die willen werken, er is hier niks.''

De afgelopen twee jaar stuurde Duitsland meer dan 250.000 vluchtelingen terug naar Bosnië. Vanaf 1992, het begin van de oorlog, kwamen 345.000 Bosniërs naar Duitsland. Geen ander land nam zoveel vluchtelingen op. Aan die buitensporige gastvrijheid moest een eind komen, besloten de ministers van de Duitse deelstaten - verantwoordelijk voor de opvang van de vluchtelingen - in het voorjaar van 1996. De oorlog in Bosnië was voorbij.

De meeste vluchtelingen konden nog niet terug naar hun vroegere dorpen en steden. Moslims durfden niet terug te gaan naar het Servische deel van Bosnië, Serviërs werden weggepest uit gebieden van Bosnische Kroaten of moslims. Maar de Duitse deelstaten vonden dat ze dan maar terugmoesten naar delen van Bosnië waar hun eigen bevolkingsgroep in de meerderheid was.

Eerst werden de Bosniërs met een strafblad weggestuurd, daarna alleenstaanden met een uitkering, later ook families en vluchtelingen die een baan hadden in Duitsland. Ongeveer 1.400 Bosniërs werden gearresteerd, meestal 's nachts, en op het vliegtuig naar Sarajevo gezet. De anderen tekenden een verklaring dat ze vrijwillig vertrokken. Die kregen, afhankelijk van de terugkeer-regelingen in hun deelstaat, tussen de twee- en tienduizend mark mee.

De VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR en Amnesty International reageerden woedend.

Door de gedwongen terugkeer naar 'eigen' gebieden werkte Duitsland mee aan de etnische zuivering. Volgens het vredesakkoord van Dayton moesten de gevluchte Bosniërs (1,3 miljoen in het buitenland, 800.000 in Bosnië zelf) kunnen terugkeren naar hun vroegere woonplaats. Hans Koschnick, voormalig EU -bestuurder van de Zuid-Bosnische stad Mostar, noemde de arrestaties en uitzettingen 'Gestapo-methoden'.

Onzin, vonden de ministers van de Bondsstaten. In interviews met Duitse kranten zeiden ze dat veel teruggestuurde moslims ,,wachten'' in moslimgebied, tot het veilig genoeg is om naar bijvoorbeeld de Servische Republiek of het Bosnisch Kroatische deel terug te keren. Serviërs wachtten op Servisch gebied. En de deelstaten vonden dat ze heel goed zorgden voor de Bosniërs. Alleen criminelen en mensen die weigerden 'vrijwillig' te vertrekken, werden met geweld het land uitgezet. Misschien, zeiden ze, waren er soms vergissingen gemaakt - ook zwangere vrouwen en oude mensen werden door de politie uit bed gehaald en zonder spullen naar Sarajevo gestuurd. Maar voor wie niet wachtte tot de politie kwam, was er geld, soms ook een huis. Aan de opvang van vluchtelingen in Duitsland, wederopbouwprojecten in Bosnië en terugkeerpremies hebben de deelstaten en de Duitse regering de afgelopen jaren bijna twintig miljard mark uitgegeven. Duitse hulporganisaties en Duitse SFOR-soldaten werken in Bosnië aan meer dan tachtig woningbouwprojecten voor teruggekeerde Bosniërs. Ze kunnen opleidingen volgen, startkapitaal aanvragen voor een eigen bedrijf en als ze een baan vinden via speciale terugkeerprogramma's, betaalt Duitsland ze een 'integratie-toelage' van 450 mark per maand, een jaar lang.

In Nederland was er onlangs politiek rumoer over de Bosniërs. VVD, CDA en D66 vonden dat de regering Bosnische vluchtelingen in Nederland - er zijn er nu 25.000 - ook moest dwingen tot terugkeer. Premier Kok en staatssecretaris Cohen van Justitie verzetten zich hevig en de Bosnische asielzoekers hoeven nog niet weg.

Nederland probeert wel, net als Duitsland en andere Europese landen, met terugkeerprogramma's, terugkeerpremies, kredieten en opleidingen de Bosniërs zover te krijgen dat ze het land vrijwillig verlaten. Volgens adjunct-directeur John van den Berg van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) die terugkeerprogramma's organiseert, kunnen Bosniërs in Nederland tussen de zeshonderd en - als ze het handig aanpakken -twintigduizend gulden meenemen naar hun land. De vluchtelingen mogen ook een keer met de bus naar Bosnië, om te kijken of hun huis er nog staat, of ze misschien werk kunnen vinden. De look and see-regeling.

Maar bijna niemand wil terug. Het IOM rekende deze zomer op minstens tweehonderd deelnemers, ook uit België en Luxemburg, aan een nieuw 'trainingsprogramma'. De Bosniërs konden leren wat ze wilden en waar behoefte aan was in hun land, op het gebied van informatica bijvoorbeeld, of een specialisatie in de bouw. Zeven Bosniërs volgden de cursus. ,,Een tegenvaller'', zegt IOM-adjunct-directeur Van den Berg.

Dit jaar gingen zo'n honderd vluchtelingen uit Nederland naar Bosnië, maar er kwamen ook drieduizend nieuwe Bosnische asielzoekers naar Nederland.

Veel klagen

Net buiten Sarajevo, in Rajlovac, ligt het kamp van de Duitse SFOR -soldaten. Naast hun gewone taken voor SFOR (de Navo-inzet in ex- Joegoslavië) hebben de Duitsers van hun minister een speciale opdracht meegekregen: ze moeten helpen bij de terugkeer van Bosniërs. De Duitse soldaten begeleiden wederopbouw-projecten en ze gaan bij alle gemeenten in Bosnië langs om te onderzoeken of vluchtelingen daar weer kunnen wonen.

Brigade-generaal Klaus Hollnder vindt die extra taak erg belangrijk voor Duitsland. ,,Het is nooit de bedoeling geweest dat de vluchtelingen in ons land zouden blijven.'' De generaal vindt: ,,Ons terugkeerbeleid is een voorbeeld, een model voor andere landen.''

Het ,,zou kunnen'', zegt hij, dat de terugkeer van moslims naar moslim-gebied en van Serviërs naar Servisch gebied de etnische zuivering van Bosnië versterkt. ,,Maar in het Dayton-akkoord staat niet: de vluchtelingen móeten terug naar hun eigen gemeente. Er staat: het moet kunnen, als ze willen. Misschien willen ze niet.''

Maar de Duitse militairen doen er alles aan, zeggen ze, om de Bosnische Serviërs, Kroaten en moslims dichter bij elkaar te brengen. In hun patrouille-gebied zijn Bosnisch-Kroatische dorpen waar sinds kort weer moslims wonen. En dorpen van moslims waar Kroaten zijn teruggekeerd. Een paar keer per week bezoeken ze die dorpen. Ze laten hun voertuigen bij het begin van het dorp staan en gaan te voet verder, dat komt vriendelijker over, zegt luitenant-kolonel Dietmar Jeserich. ,,Dan vragen we: waar wonen de vluchtelingen? Drinken jullie weleens koffie met ze? Nee? Zullen wij dat dan eens organiseren?''

Een voortdurende ergernis van de Duitse soldaten is dat de Bosniërs weinig zelf doen en veel klagen. ,,Ik heb geen geen geld, geen werk, niks'', zegt Ismeta Avgadic (36), vluchteling uit Srebrenica. Ze was vier jaar in Frankfurt. Nu woont ze in een buitenwijk van Sarajevo, in een flat die wordt opgeknapt onder leiding van Duitse soldaten. ,,Hier in Sarajevo zeggen ze: ga jij maar terug naar Srebrenica.''

Luitenant-kolonel Konrad Beer, projectleider van de wijk, luistert naar haar verhaal, knikt af en toe. ,,Jij bent toch zo sympathiek'', zegt Ismeta tegen de militair. ,,Ik hoop dat deze week nog m'n kozijnen worden gemaakt, het tocht.'' Bij de uitgang van de flat wijst Konrad Beer op een witte BMW op de parkeerplaats: ,,Dat is de auto van Ismeta.''

,,Ze verwachten dat alles voor ze wordt gedaan'', zegt luitenant-kolonel Ludwig Gedicke. ,,Vooral mensen die bij ons in Duitsland zijn geweest als vluchteling. Ze zijn eraan gewend geraakt dat ze alles krijgen.'' Gedicke zelf vluchtte in 1945, hij was vijf, met zijn ouders van Dresden naar Leipzig. Een dag voor het bombardement op de stad. ,,Ik heb Dresden nog zien branden.'' Duitsland was na de oorlog zwaarder verwoest dan Bosnië nu, denkt hij. Maar sneller weer opgebouwd. ,,Dat is onze Duitse mentaliteit.''

Luitenant-kolonel Jeserich sprak een paar weken geleden met de directeur van de Skodafabriek. De Duitsers onderzoeken óók of er voor de teruggekeerde vluchtelingen misschien een baan is. Jeserich: ,,Die man zei: hoe kan ik iemand aan het werk krijgen voor vierhonderdvijftig mark per maand, voor Bosnië een gewoon maandloon, als hij in Duitsland, zonder werk, duizend mark kreeg? Dát is het probleem hier.''

In november werd het eerste woningbouw-project van de Duitse SFOR - militairen officieel afgesloten. De Duitse minister van Defensie was ervoor naar Bosnië gekomen. De burgemeester, lokale politici, de militairen en hun minister - iedereen stond klaar voor de ceremonie. Opeens stapte een van de nieuwe bewoners, een teruggekeerde vluchteling, naar voren en riep: ,,Waarom heb ik geen garage bij mijn huis? En geen deurbel? Waar is de telefoonaansluiting?''

,,Gelukkig'', zegt luitenant-kolonel Münz, ,,waren er ook mensen die ons kwamen bedanken.''

In de herfst brachten de militairen tien ton kolen naar een tehuis met Servische vluchtelingen in Pale, in de Servische Republiek. Genoeg voor de hele winter. ,,Scheppen jullie ze ook even in onze kelder?'' vroegen de vluchtelingen.

Op een donderdagochtend in december brengt majoor Harald Bossert dozen met tweedehands kleren, nieuwe etuis en tijdschriften naar een school in Ugljevik, een stad in de Servische Republiek. De onderwijzer kijkt nauwelijks naar de spullen. Hij zegt dat hij veel dringender pennen en schriften nodig heeft, en dat had hij de vorige keer toch tegen majoor Bossert gezegd? De majoor raakt ervan in de war. ,,Dat komt allemaal nog, dat kómt.''

De majoor is in de Servische Republiek om te onderzoeken of vluchtelingen in deze stad kunnen terugkeren. Op het gemeentehuis heeft hij een gesprek met de burgemeester, een man met lang zwart haar, zwarte baard, een zwarte leren jas. Majoor Bossert wil van hem een lijst van bedrijven in de gemeente. Hij zegt: ,,Misschien zijn er buitenlandse firma's die in de industrie van uw stad willen investeren.''

De burgemeester bekijkt de majoor van onder tot boven, kauwt met open mond op zijn kauwgum, draait aan de gouden ring om zijn vinger. ,,Prachtig'', zegt hij dan. ,,Maar dat moet via het gemeentehuis.'' Op het papier dat de majoor voor zich houdt, staat ook nog 'vluchtelingen?'. Maar hij zegt er niks over. ,,Die man moet niks hebben van vluchtelingen'', zegt hij later. ,,Dat weet ik. Hij wil alleen maar geld van ons.''

Geen risico

Er zíjn wel teruggekeerde moslim-vluchtelingen in de Bosnisch-Servische gemeente Ugljevik. Vijfentwintig families. Ze wonen op een heuvel, ver buiten de stad. Een paar honderd meter verderop begint de Bosnische Federatie van moslims en Kroaten. Daar doen de moslims, die vijf maanden geleden op deze heuvel terugkeerden, hun boodschappen. Daar zitten ook hun kinderen op school. In de Servische Republiek komen ze niet. In de kliniek van Ugljevik worden ze niet behandeld, zeggen ze, en ze krijgen geen telefoonaansluiting van de gemeente. Bosnische Serviërs staken een van hun auto's in brand.

Een Italiaanse hulporganisatie heeft hun huizen, in de oorlog verwoest door Serviërs, opnieuw opgebouwd. Volgens het standaard-model van de organisaties in Bosnië: vier muren, een dak, twee kamers, een keuken en een badkamer. De rest moeten de bewoners zelf betalen. Er is maar één huis dat helemaal is opgeknapt. Daar woont Haris Mojesinovic (54). Hij is de dikste man van de buurt, en de rijkste. Hij woonde vier jaar in Bonn, gevlucht voor de oorlog. Zijn vrouw en vier kinderen liet hij achter in Tuzla, bij familie. Mojesinovic werkte als timmerman. Hij spreekt geen woord Duits. ,,Ik had geen tijd om met mensen te praten, ik werkte tien uur per dag.''

Maar een mooie tijd was het, zegt hij. ,,Alles was schoon daar, netjes. Het eten was lekker.'' Vorig jaar kreeg hij een hartaanval. Een dag nadat de dokter hem arbeidsongeschikt verklaarde, kreeg hij een brief van de politie: Mojesinovic moest terug naar Bosnië. Hij woont nu in de Servische Republiek. Maar zo op de rand, dichtbij gebied van moslims, gaat het net, vindt hij.

Verreweg de meeste vluchtelingen die uit het buitenland terugkomen, nemen geen risico. Ze zoeken een huis in een deel van Bosnië waar hun bevolkingsgroep in de meerderheid is. Naar Sanski Most bijvoorbeeld, in Noordwest-Bosnië, kwamen de afgelopen twee jaar zo'n dertigduizend teruggestuurde moslim-vluchtelingen uit Duitsland. Vroeger woonden ze in de omgeving van Prijedor en Banja Luka, gebieden die nu bij de Servische Republiek horen. Sanski Most ligt in de buurt, de vluchtelingen zijn dicht bij hun vroegere huizen. Maar dat ze op een dag weer in die huizen zullen wonen, geloven ze niet.

Zaterdagmiddag rijdt Zijad Redzic (52) naar het dorp waar hij voor de oorlog woonde, Carakovo, net onder Prijedor. Het ligt nog volledig in puin. In zijn huis, vertelt hij, executeerden de Serviërs meer dan 64 mannen. De lichamen werden later gevonden in zijn voortuin. Hij wijst op een heuvel. Daar zag hij zijn zoon Zikret, achttien jaar, voor het laatst. Gevangen genomen door Servische soldaten. Redzic had zich verscholen in een maïsveld en kon niks doen. Hij vluchtte, woonde een paar jaar in Ludwigsburg, bij Stuttgart. In 1995 kwam hij terug. Nu heeft hij een restaurant in Sanski Most. ,,Ik wil nooit naar dit dorp terug.''

Duitse auto's

Meer dan de helft van de 70.000 inwoners van Sanski Most was tijdens de oorlog in West-Europa. Ze hebben veel minder dan andere teruggekeerde vluchtelingen last van jaloezie, bij de mensen die in Bosnië bleven, omdat ze meer geld hebben, dure spullen, Duitse auto's. En ze horen ook niet zo vaak het verwijt dat ze hun volk in de oorlog in de steek hebben gelaten. Ze zijn de meerderheid, ze zoeken elkaar op. Ze leven van hun spaargeld uit het buitenland, werk is er nauwelijks: negentig procent van de bevolking is werkloos.

In de klas van Azra Mulalic (16) zitten maar drie leerlingen die in Bosnië waren tijdens de oorlog. De vijfentwintig anderen waren met hun ouders in Duitsland. Azra Mulalic heeft opgestoken, met henna geverfd haar, twee lokken vallen zorgvuldig slordig langs haar gezicht. Ze draagt een jasje van grijs leer. Vierenhalf jaar woonde ze met haar vader en oma in Kassel. ,,De drie uit mijn klas die niet in Duitsland waren, zijn toch anders'', zegt ze. ,,Ze zien er anders uit, ze vloeken meer.''

Heel verdrietig was ze, toen ze hoorde dat ze terugmoesten naar Bosnië. Drie maanden geleden kwamen ze aan in Sanski Most. Ze vindt het nog steeds vreselijk in deze stad, ,,alles eigenlijk''. Ze wil kleren kopen, ijshockeyen, uitgaan met vrienden. ,,Hier let iedereen op je. Ik hoor mensen soms fluisteren: kijk eens hoe dat meisje eruit ziet.''

In het huis van Azra Mulalic wonen nog drie andere teruggekeerde families. Bijna alle huizen in Sanski Most zitten overvol. Maar er zijn vluchtelingen uit Duitsland die het beter getroffen hebben. De stad Wuppertal bijvoorbeeld bouwt in Sanski Most nieuwe, ruime flats voor de Bosniërs die ze terugsturen. Ze kunnen, als ze willen, zelf meehelpen aan de bouw en daarvoor ontvangen ze salaris uit Wuppertal. In de flats kunnen ze tien jaar gratis wonen. De Duitse hulporganisatie Quelle liet voor elf families uit Bremen een rij villa's bouwen, aan de rand van de stad. De families zijn nu eigenaar van die huizen.

In Sanski Most worden ook woningen opgeknapt onder leiding van een protestants-christelijke hulporganisatie uit Nederland, Dorcas Aid. Assistent-projectmanager Jaap Visser kent drie vluchtelingen uit Nederland. Voor één van die drie herstelt Dorcas Aid een huis, die komt zeker terug. Een ander heeft een A-status in Nederland en een café in Sanski Most. De derde heeft, denkt de organisatie, een Nederlands paspoort en wil graag een huis in Sanski Most voor vakanties.

Een paar maanden geleden kwam een vluchteling uit Nederland bij Dorcas in Sanski Most vragen of zijn huis kon worden opgeknapt. ,,Dus u gaat terug'', vroeg de Dorcas-medewerker. ,,Nee'', zei de man. ,,De Nederlandse regering geeft me nog geen toestemming om terug te gaan.'' De Dorcas-hulpverlener bood aan om naar Den Haag te bellen en te vragen of het goed was dat de man in Bosnië bleef. De man rende het kantoor uit.

In het restaurant van hotel Sanus in Sanski Most zit de burgemeester, Mehmed Alagic. In de oorlog was hij generaal, Alagic was een van de belangrijkste krijgshelden van de Bosnische moslims. Die verering probeert hij levend te houden door zelf een paar keer per week op bezoek te gaan bij de allerarmsten van Sanski Most. In zijn jeep of zijn Mercedes met privé-chauffeur brengt hij ze eten en medicijnen.

Hij wil graag praten over de problemen in zijn stad nu Duitsland vluchtelingen met tienduizenden tegelijk terugstuurt. Er zijn te weinig huizen, er is geen werk. Maar eerst iets over Nederland. ,,Ik heb een neef die naar Nederland is gevlucht. Zijn huis hier staat leeg, hij kan zo terug, maar hij wil natuurlijk niet.'' Alagic lacht hard. ,,Hij belazert jullie regering.''

Dan is hij weer ernstig. De burgemeester vindt dat de West-Europese landen, vooral Duitsland, veel meer moeten doen voor zijn gemeente. Ze sturen moslim-vluchtelingen die hier nooit hebben gewoond, naar Sanski Most. En dan eisen ze ook nog eens dat hij, Alagic, Servische vluchtelingen opneemt die hier voor de oorlog woonden. Dat wil hij natuurlijk wel, zegt hij, en er zijn ook al negentien Servische families teruggekeerd. Maar ook moslim-vluchtelingen in zijn stad moeten naar de Servische Republiek terug kunnen gaan.

Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Zweden en Nederland moeten meer huizen bouwen in Sanski Most, zegt de burgemeester. En ook scholen, ziekenhuizen, speelplaatsen. Ze moeten wegen asfalteren en werk vinden voor de vluchtelingen. ,,Dat zijn ze aan ons verplicht.''

Waarom? ,,Eén: dit land is verwoest door de oorlog omdat de internationale gemeenschap niet wilde ingrijpen. Twee: de vluchtelingen uit het buitenland zijn door de West-Europese regeringen verwend. Ze stellen hoge eisen.''

Duitsland en de andere landen moeten het Noorse voorbeeld volgen, vindt hij. Alagic is niet voor niets zo tevreden over de Noren. In het dorp waar hij werd geboren, tien kilometer van Sanski Most, herstelde een Noorse hulporganisatie de kliniek en een school. Alagic heeft er nog steeds een tweede huis. Het is het enige dorp rond Sanski Most waar - gloednieuwe - lantaarnpalen staan. Er zijn verkeersdrempels, en midden in het dorp is kort geleden een fontein neergezet.

Alagic geeft opdracht aan de directeur van het centrum voor sociale problemen, Husein Pasalic, om ,,een van de meest schrijnende gevallen'' te laten zien onder de vluchtelingen die uit Duitsland terugkwamen. Een vrouw die met haar zwaar gehandicapte zoon van zeventien in een ambulance van Bonn naar Sanski Most werd gebracht. Alagic: ,,Midden in de nacht stonden ze hier, in het park.''

De vrouw woont met haar zoon in een kamer van drie bij drie. De jongen hangt scheef in een rolstoel, hij kermt. In de hoek staat zijn bed, een ziekenhuisbed uit Duitsland. De vrouw vertelt, kort, het verhaal over de uitzetting, over de juridische procedures die ze heeft gevoerd om te mogen blijven. Maar op een dag stond de ambulance voor de deur. ,,Een schande'', roept ze. Ze begint te huilen. ,,Kijk toch naar mijn zoon, die arme jongen. Wat moeten we nu?''

Daarna richt ze haar woede een half uur lang op de directeur van het centrum voor sociale problemen. Niks doet hij voor haar. Toen ze aankwam zei een ambtenaar op het gemeentehuis: ,,Wat doe jij hier? Ga terug naar Duitsland.'' Ze zegt steeds maar dat ze niks te eten heeft, dat de wasmachine kapot is, dat ze de huur niet kan betalen. ,,Morgen'', belooft directeur Pasalic, ,,zal ik kijken wat ik voor je kan doen.''

Buiten zegt Pasalic dat hij doodmoe is van alle ellende die hij iedere dag moet aanhoren van de vluchtelingen. Hij denkt niet dat de moslims ooit nog kunnen terugkeren naar hun dorpen en steden in de Servische Republiek. Er is te veel gebeurd, de mensen zullen dat niet kunnen vergeten. Pasalic komt zelf uit Prijedor. Serviërs sneden zijn schoonouders de keel door, zegt hij. In Sanski Most woont een vrouw, alleen. Haar zes zonen werden op één dag vermoord door Servische soldaten. Hij zegt: ,,De enige oplossing voor de problemen hier is: oorlog. Ik hoop dat het vechten morgen weer begint. Door het Dayton-akkoord hebben we de strijd niet kunnen afmaken. Er was geen winnaar en geen verliezer.''

NRC Webpagina's
19 DECEMBER 1998

Archief
Zaterdags Bijvoegsel



( a d v e r t e n t i e s )
ING MKB - Snelle en duidelijke kredietaanvraag
SIRE - Doof

Domicilie Cover

Domicilie,
voor wie zich vestigt in het buitenland.

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl)