U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
     
NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 



Overzicht eerdere
afleveringen


 BUITENLANDSE ZAKEN
 RIJSWIJK 1697
 
 GIDSLAND AF
 MINISTERS GEMETEN
 ELITE IN KAART GEBRACHT
 CIJFERS & GRAFIEKEN
 LINKS

Vruchten plukken in de polder

Niet langer leeft Nederland thuis op te grote voet en speelt het gidsland in het buitenland. Hoe een klein land tussen grote buren slim kan zijn.

J.M. Bik
ALLES IS, ook voor Nederland, an ders geworden sinds - tussen najaar 1989 en eind 1991 - de Duitse en de Europese deling en de Sovjet-Unie verdwenen. De dreiging, de internationale overzichtelijkheid en de samenbindende waarde van de Koude Oorlog zijn verdwenen. De aangename spagaat die onze buiten landse politiek sinds 1945 had geken merkt - economische integratie en voorspoed in Europa, niet al te dure veiligheid in de NAVO - ging een inge wikkelder soort gymnastiek eisen. Meer T-splitsingen, wegkruisingen en keuzeverplichtingen - en dat bijna dagelijks, als het ware. Met nieuwe ta ken en verplichtingen voor Europa en een andere, soms dunnere band met de enig overgebleven supermacht, in Washington. En nieuwe economische eisen om bij te blijven. ,,Na 45 jaar kloosterleven zijn we in een harem be land'', zoals oud-staatssecretaris E.H. van der Beugel het in 1994 met een beeldende typering zei.

Natuurlijk hadden die veranderin gen niet alleen voor Nederland een dramatische breukwaarde. Nieuwe onzekerheden gingen overal een rol spelen. Maar toch kan worden gezegd dat het ging om de tweede grote breuk in het buitenlands beleid van het Ko ninkrijk der Nederlanden. De eerste was na de Tweede Wereldoorlog, toen Nederland na 125 jaar voordelige neutraliteit (1815-1940) vlot overging tot het collectieve veiligheidsstelsel van de NAVO. En even later plaatsnam in de voorhoede van de Europese integratie als een van de zes oprichters van de Europese Economische Gemeen schap, die toen nog vooral een doua ne-unie was, met de inbedding van de Duitse Bondsrepubliek en Frans- Duitse samenwerking als belangrijkste politieke nevendoelen.

Heel behaaglijk voelde Nederland zich die eerste twintig jaar onder de veiligheidsparaplu van de NAVO, waar onder het een van de saaiste maar ook een van de betrouwbaarste bondgeno ten was. Een bondgenoot die onder een premier als de oude heer Drees vrij geruisloos - zelfs zonder parlemen tair debat - Amerikaanse kernwa pens tot zijn grondgebied toeliet (goedkoper dan soldaten, immers). En die zijn oude veiligheidsangsten tussen grotere Europese landen meestal zag weggestreken door de hand van de nóg veel grotere Amerikanen.

Tot diep in de jaren zestig was Ne derland verzuild en kalmpjes-vastberaden doende met zijn restauratie. Een beperkte elite van krijtstreepdragers rondom het Haagse Plein kon - tamelijk ongehinderd door de media, de bevolking en het parlement - het beleid bepalen. Soms met een vroom woord voor het buitenland aangaande het belang van de internationale rechtsorde, maar - dat hoefde toen nog niet uitdrukkelijk te worden gezegd - steeds met het nationale be lang voor ogen. En zo gedroeg Neder land zich ook, als een van de eerste Zes relatief machtig in EEG-verband. Met mede-belanghebbende Frankrijk werd, op kosten van de Duitse kassa, een profijtelijke Europese landbouw politiek opgezet, die beide landen tot grote exporteurs en langdurige "nettoverdieners" zou maken. Met de West duitsers was het goed zaken doen om de Nederlandse voorkeur voor vrij handel tegen Parijs door te zetten. Joseph Luns, de record-minister van Buitenlandse Zaken, de man die uniek én archetypisch voor deze tijd was, kon het zich bijvoorbeeld nog veroorloven af en toe tegelijkertijd zowel de Duitse bondskanselier, Adenauer, als de Franse president, De Gaulle, tegen zich in het harnas te jagen. Kom daar vandaag maar eens om. Nederland - overtuigd als het op zichzelf was van nut en noodzaak van de Frans-Duitse verzoening - had ook zijn oude Europese balanspolitiek, zijn angst voor directoraten van de Groten, niet vergeten. En het ijverde dus óók hardnekkig voor Britse toetreding tot de Gemeenschap, zowel om meer manoeuvreerruimte jegens de as Parijs/Bonn te krijgen als met het oog op zijn Atlantisch-maritieme standbeen.

In elk geval was toentertijd zowel de nationale positie als het politieke zelf vertrouwen, ondanks het verlies van Indië, zó groot dat Nederland met zijn snelgroeiende economie ("leve de Marshall-hulp") en zijn consensusmo del zich geregeld manifesteerde als "de grootste van de kleinen'. Wat vooral België irriteerde en zodoende hielp verhinderen dat uit de Benelux veel meer werd dan een internationaal gangbare samentrekking.

Grote externe veranderingen hadden voor de beleidsbreuk van 1945 ge zorgd. Grote veranderingen in Neder land zelf zouden - eind jaren zestig, begin jaren zeventig - voor een inter ne beleidsbreuk zorgen. Weer gebeur de dat alsof er een aardschok door het land ging. De grote na-oorlogse ge boortegolf raakte volwassen, de kies gerechtigde leeftijd werd verlaagd, de ontzuiling kreeg een hevige versnelling, de in nationale harmonie bedre ven economische restauratie was na genoeg voltooid en het land bleek óók nog eens te beschikken over grote aardgasreserves (te verhandelen in dollars, bij een dollarkoers van des tijds 3,60 gulden). Wat harmoniemodel? Politieke strijd en maatschappelijke conflicten gingen het beeld bepalen, zoals elders allang het geval was, doodgewoon nu er intussen op veel gebieden heel wat te (her)verdelen viel. Maar het was ris kant omdat, zoals een decennium later goed zou blijken, iedereen net iets te veel wilde en ook veel politici de nieuwe situatie liever met het chequeboek dan met harde keuzes wilden verwer ken.

Nederland beleefde op een breed terrein een soort uitgestelde politieke en cultureel-psychologische revolutie en democratiseerde zichzelf in een paar jaar tijd ademloos naar een ande re gedaante. Eerst ging het daarbij na tuurlijk om materiële kwesties (inkomens, politieke macht), maar gaande weg raakten ook de oude elites op het gebied van de buitenlandse politiek hun nog ongestoorde machtspositie kwijt. De televisie bracht de wereld in de huiskamer, het beleid moest worden uitgelegd en verdedigd en werd zelfs electoraal interessant. Dat bleek uit een opkomend kernwapendebat (neutronenbom) en posters aan de ramen voor de erkenning van verre landen (Guinee-Bissau bijvoorbeeld). En uit felle discussies, vooral in de PvdA en links daarvan, over het NAVO-lidmaatschap en de daaraan te stellen voorwaarden. Portugal (van dictator Salazar) eruit of wij eruit, en zo meer. Luns-time was over, althans in Nederland, dat hem naar de NAVO zag vertrekken.

Naarmate het ledental van de Euro pese Gemeenschap groeide van zes naar twaalf leden (nu vijftien), en de in tegratie ervan voortschreed, vermin derde ook het relatieve gewicht van Nederland daarbinnen. In de NAVO was het bovendien niet meer de trouw ste bondgenoot van voorheen. Het bondgenootschap was altijd een hoek steen van ons buitenlands beleid ge weest, onder meer in verband met de integratie van de Bondsrepubliek, en bleef dat officieel ook. Toen Neder land echter voor het eerst, inzake de eventuele plaatsing van kruisraketten, door de Duitse kanselier, Helmut Schmidt, rechtstreeks om steun en rugdekking werd gevraagd, klonk ja renlang een oorverdovende gewetensnood op ('79-'85), die onder de naam hollanditis een zekere exportwaarde zou krijgen. Nu was de rakettenkwes tie hier te lande ook binnenlandse poli tiek met een ander, buitenlands-politiek, middel. Want na jaren van polari satie van links tegen de confessionele partijen van het midden was de kruisraket voor de PvdA vooral een helse machine die het intussen gevormde, maar verdeelde CDA in de problemen moest brengen. Het pakte anders uit, de PvdA bleek zichzelf te hebben geï soleerd met haar onverzoenlijke standpunt dat ze nooit aan enig kabinet zou deelnemen zolang die raketten niet categorisch werden afgezworen (of direct uit Nederland verwijderd). Uiteindelijk werd de PvdA - het is pas tien jaar geleden - uit haar onge makkelijke positie verlost door het rakettenakkoord van Gorbatsjov en Reagan, waarvoor de Amerikaanse oud-president allang een borstbeeld in het PvdA-hoofdkwartier zou moeten hebben.

Voor het aanzien van Nederland als internationale partner was deze jaren lange treurzang niet goed geweest. Het is daarom ook best te begrijpen dat sommige toenmalige voorzangers niet graag meer aan die tijd worden herin nerd. Of zelfs intussen als krachtige NAVO-propagandisten zijn gaan op treden. Maar goed, die scherven zijn intussen geruimd, mede doordat de Europese omwentelingen die even la ter volgden alle aandacht opeisten. Omwentelingen trouwens die ook nog wel wat te maken hadden met het ra kettengevecht als een laatste grote krachtmeting tussen Oost en West.

Nederland is nu - een kleine dertig jaar na 1968 - intern in veel rustiger vaarwater geraakt. Illustratie daarvan is een paarse coalitie, waarin de oude vijanden PvdA en VVD soms wel een beetje tegen elkaar blazen, maar overi gens mooi samenwerken. Met de mi sère van eergisteren, toen thuis op te grote voet werd geleefd en elders gids land werd gespeeld, is goeddeels afge rekend. Al zijn natuurlijk de moralise rende toon, een zekere naïviteit en een neiging tot zelftevreden dogoodism niet helemaal weg. Niettemin: het land kent bijna geen dubbele agenda's en zijn binnenlandse uitgangspositie voor het buitenlands beleid is wel eens slechter geweest.

Het is er soms weer een beetje saai, maar het polderland plukt de vruchten van zijn herstelde consensusmodel, dat al in 1982 met het Akkoord van Wassenaar een aanloop nam naar het succes van vandaag. Problemen als in Duitsland, dat erg dringend moet mo derniseren én wennen aan zijn nieuwe omvang en gewicht, heeft Nederland niet. Het mag dan in Parijs een "nar costaat' zijn genoemd, maar het heeft een veel beweeglijker sociale en eco nomische structuur dan Frankrijk en niet de verstoppingsproblemen die dat zo gecentraliseerde land in zijn be stuur kent. Het lijdt ook niet onder een half geamputeerd Atlantisch been en een vaak onpraktisch anticontinentalisme als Groot-Brittannië, al zou dat straks - naar het woord van Monnet - toch wel weer gevoelig kunnen zijn voor Europese faits accomplis. Bij voorbeeld dat van de muntunie.

Wat staat Nederland te doen, zeg in Europa, waar de keuzes zoveel moei lijker zijn geworden? Meer kijken naar Midden- en Oost-Europa bijvoor beeld, en er meer doen. En daarom ook: mikken op integratie, met Duits land vooral, dat niet op zichzelf mag worden teruggeworpen (of dat gevoel mag krijgen). Bedoeld is integratie zonder federatieve fantasterij en zon der zich in al te grote afhankelijkheid van de oosterbuur te begeven. Daar om ook: verbetering van de verhou dingen met Frankrijk - al valt dat niet mee.

Voorts: liever geen, of slechts incidenteel, kleine-landencoalities entameren, want die hebben geen werkelij ke macht en irriteren de Groten. Liever niet voortdurend over bedreiging van de eigen identiteit praten, want die wordt van klagen niet beter. Liever ook niet, zoals de VVD, almaar over on ze status van "netto betaler' spreken of het vetorecht als een van onze grootste schatten aanprijzen. Wat een halve eeuw geleden gold, is namelijk nog steeds waar: de Europese integratie mag weerbarstig zijn, maar ze is goed voor een klein land dat een economische bovenschaligheid kent en de kost voor een belangrijk deel buitenshuis moet verdienen.

Er is bovendien geen alternatief. Is dat bijna allemaal al regeringsbeleid? Dat is dan mooi.

NRC Webpagina's
29 mei 1997

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl) MEI 1997