N R C   H A N D E L S B L A D  -  C O L U M N S
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

KAREL KNIP
Eerder verschenen
columns


JL HELDRING
HJAHOFLAND
ROEL JANSSEN
CS VRIJDAG
ELSBETH ETTY
YOUP VAN 'T HEK
PAUL DE LEEUW
LEO PRICK

KAREL KNIP


24 februari 2001

Maanbaan


Over de maan. Afgelopen 15 februari was het laatste kwartier, gisteren was het nieuwe maan en aanstaande zaterdag is het alweer eerste kwartier. Een week later: volle maan en zo gaat dat almaar door, elke week een andere stand, elke maand vier standen en soms wel vijf. Het staat op de kalender, nooit ver van een oranjeverjaardag, dus je hoeft er niet meer voor omhoog te kijken.

Waaròm de maanstanden op de kalender staan weet niemand. Het is misschien de onbedwongen behoefte van de kalendermaker om zijn afnemers met kleine dingen blij te maken. De biddag voor het gewas, de hetero oranjeprinsjes en dan ook maar de maanstanden.

Gezegd moet worden dat bepaalde maanstanden ook wel een feestelijk gevoel opwekken. De nieuwe maan is wat wezenloos, de volle maan wel erg vol maar de kwartierstanden hèbben iets. Iets je ne sais quoi, zoals de Fransman het zo puntig zegt. Het laatste kwartier draagt op een intrigerende manier de resten van de nacht tot ver in de ochtend en het eerste kwartier bewaart nog een tijdje de herinnering aan de zon die zojuist in grijze veelkleurige dampen werd gesmoord. Dat laatste maantje is halverwege volgende week alweer 's avonds in het westzuidwesten te zien, niet ver van Venus die mooier schittert dan ooit tevoren.

Onverklaarbaar waar dit soort gedachten vandaan komt en waarom dan de volgende gedachte is dat de aarde in eerste kwartier vanaf de maan gezien nog veel mooier moet zijn: groter, kleuriger en contrastrijker. En hoe onrechtvaardig het is dat de maanbewoners aan de achterzijde van de maan de aarde nooit te zien krijgen. Een moederplaneet onder handbereik maar toch nooit in beeld. Als het op de maanachterkant nacht is is het er stinkdonkere nacht.

Zou een maanachterkantbewoner die in zijn jeugd hbs met kosmografie heeft gehad er makkelijk achterkomen dat zijn planeetje niet moederziel alleen door het zonnestelsel suist? Die vraag is hier lang geleden al eens eerder gesteld. Het leverde veel respons op, maar door een ongelukkige meteorietinslag zijn de reacties verloren gegaan. De gedachte was dat de nabijheid van de aarde aan baanonregelmatigheiden te merken moest zijn. De maanachterkantbewoner die zorgvuldig bijhield wanneer een bepaalde ster in het zuiden stond moest op den duur argwaan krijgen.

Het is er niet van gekomen de kwestie zorgvuldig uit te werken en deze week viel het besluit daar eens een begin mee te maken. Het besef drong doordat de baan die de maan vanaf de aarde gezien tussen de sterren aflegt óók niet in eenparige snelheid doorlopen kan worden. Met zijn maandelijkse rondgang rond de aarde loopt de maan geregeld (in het bijzonder bij volle maan) met de aardbeweging (om de zon) mee en gaat zij er geregeld (dat is: bij nieuwe maan) recht tegen in. Denk ook aan het soort draaimolens waarop weer een draaiende schotel is gemonteerd. Neem virtueel plaats in het centrum van zo'n schotel en bedenk dan hoe snel de schotelbuitenrand langs de huizen schiet.

Het vermoeden ontstond dat de volle maan veel sneller tussen de sterren zou schuiven dan de nieuwe maan en de vraag was: viel dat te verifiëren. De Sterrengids van de stichting De Koepel geeft voor elke dag van het jaar de positie van de maan tussen de sterren. Ze wordt wat ongelukkig uitgedrukt in graden declinatie en uren rechte klimming (waardoor er twee sterk verschillende soorten 'minuut'in het spel zijn) maar dat is in de branche usance. Met een eenvoudige kunstgreep was wel een aardige indruk te krijgen van de wisselende snelheid waarmee de maan langs de sterren schuift en daarin blijkt zo op het eerste gezicht wel dertig procent variatie op te treden - niemand die het merkt. Maar van een eenduidige samenhang met de maanstanden bleek helemaal niets. Soms is de nieuwe maan niet vooruit te branden, soms wil het absoluut niet vlotten met de volle maan. Geen touw aan vast te knopen. Wat zou George Beekman ervan vinden? Twee dingen. Eén: dat vermoede verschil tussen volle maan en nieuwe maan berust op een gedachtenfout. Tegen de achtergrond van oneindig ver gelegen sterren maakt het mee- of tegenlopen van de maan vrijwel geen verschil. Twee: de wisselende baansnelheid van de maan komt vooral van de elliptische vorm van de maanbaan. De afstand maan- aarde varieert met bijna 12 procent en dat leidt conform de 'perkenwet' van Kepler tot versnellingen en vertragingen. Het begint er dus op te lijken dat de hbs'er op de maanachterkant meer dan gewone kosmografie in zijn pakket moet hebben gehad om tot heldere conclusies te komen. Misschien ontdekt hij ons wel nooit.

Afsluitend een woord over het probleem dat door het bijgaande plaatje wordt geïllustreerd. Ook hiermee is het AW-observatorium enigszins in moeilijkheden geraakt. De afbeelding, die door derden werd aangereikt, werd in eerste instantie opgevat als het soort vrijzinnige sterrenkundige illustratie waaraan veel kunstenaars zich bezondigen. Niet zelden beelden zij de wassende maan af op een manier die rein- astronomisch gezien onzin, om niet te zeggen quatsch is. Bijna altijd is de maan te groot en meestal wijst het verlichte deel de verkeerde kant op. Heel gangbaar is ook de maan af te beelden als de projectie van een bol die voor veel meer dan 50 procent, zeg 70 procent, door de zon wordt verlicht. De lijn die de twee punten van de maansikkel verbindt gaat dan niet, zoals het hoort, door het centrum van de maanschijf maar loopt er ver langs. Een heel pijnlijk voorbeeld ziet men bij de schilder Vincent Van die in zijn bekende 'Starry Night' alle fouten combineert. Ook zijn 'Landscape with Couple Walking and Crescent Moon' is een slag in het gelaat.

In werkelijkheid valt het namelijk niet mee om een bol vanuit één lichtbron voor veel meer dan 50 procent te verlichten. Mercurius staat dicht genoeg bij de zon om linksom en rechtsom ook op de achterzijde wat licht te ontvangen. Maar verderop in het zonnestelsel neemt de kans op een extra procentje boven de 50 met de afstand snel af. Des te raadselachtiger daarom het bijgaande plaatje dat bij nader inzien een foto van de Saturnusmaan Titan blijkt te zijn. Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?

Karel Knip

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad