|
|
|
NIEUWSSELECTIE Ministerie van Onderwijs
|
Gelijke behandeling
Dat zijn harde en principiële woorden. Ze suggereren dat er in Nederland een loopje wordt genomen met het verbod op discriminatie tussen mannen en vrouwen. Dit is echter niet het geval. Wat is er aan de hand? Toen het kabinet-Lubbers begin jaren tachtig hard moest bezuinigen, heeft minister Deetman (Onderwijs, CDA) in overleg met de vakbonden een nieuw loongebouw ontworpen. De docenten die vóór deze 'HOS' al voor de klas stonden, behielden hun verworven rechten. De nieuwkomers (na- HOS'sers) daarentegen kre gen minder salaris. Met andere woorden: iedereen die nadien het onderwijs inging, wist wat hem of haar te wachten stond. "Van een direct onderscheid tussen mannen en vrouwen is geen sprake", erkent ook de Commissie Gelijke Behandeling.
MAAR MET DEZE vaststelling dat de regeling uit 1985 "le gitiem" is en op zichzelf niet discrimineert, is de kous volgens de commissie niet af. Omdat de afgelopen vijftien jaar ruim twee keer meer vrouwen dan mannen in het onderwijs zijn gaan werken - bijvoorbeeld omdat ze eerst kinderen kregen voordat ze aan hun loopbaan begonnen - is er "indirect" wel sprake van ongelijke behandeling. Als laatkomers blijven ze tot na hun pensioengerechtigde leeftijd financieel achterlopen op hun mannelijke collega's die veelal hetzelfde werk doen. Daarmee zijn de 'grenzen' van de op zichzelf billijke regeling bereikt. De commissie weet zich in deze statistische benadering gesteund door verschillende hogere Nederlandse én Europese rechtscolleges. Minister Hermans en de onderwijsbonden hebben vooralsnog terughoudend gereageerd. Ze willen de uitspraak eerst nader bestuderen. Daarvoor is veel te zeggen. Want de Commissie Gelijke Behandeling zet talloze uitgangspunten van het bestaande systeem op hun kop. Zo ontkent ze op grond van jurisprudentie de betekenis van anciënniteit in het loongebouw. Een langdurig dienstverband, schrijft ze, "leidt niet automatisch tot grotere vaardigheden". Omgekeerd acht de commissie het onjuist dat de opvoedkundige taken thuis, vrijwilligerswerk of andere "relevante ervaring" buitenshuis niet in het salaris worden gehonoreerd. Kinderen zijn, grof gezegd, in de ogen van de commissie een onderdeel van een carrière.
SOCIAAL-ECONOMISCH zijn deze twee redeneringen geen onzin. Maar toegepast op de concrete gevallen waarover de commissie een uitspraak heeft gedaan - en ervan uitgaande dat ze niet wil aansturen op loonsverlaging voor de veelal mannelijke docenten die als 'pre- HOS'sers' sinds 1985 voor hetzelfde werk meer loon krijgen - leiden ze tot het uitschrijven van een blanco cheque. Het oordeel van de commissie gaat er namelijk aan voorbij dat de docenten die na 1985 les gingen geven dat vrijwillig deden en wisten dat ze slechter betaald zouden worden. Als achteraf elke levenservaring met terugwerkende kracht alsnog kan worden gematerialiseerd, ontvalt de basis aan afspraken die de sociale partners indertijd bewust hebben gemaakt. De laatste jaren hebben overheid en bonden onderkend dat de jarenlange bezuinigingen op de onderwijssalarissen de kwaliteit en de broodnodige verversing van het docentenkorps geen goed hebben gedaan. Na zware CAO- onder handelingen zijn de arbeidsvoorwaarden daarom enigszins aangepast aan de marktverhoudingen. Daarmee is de indirecte discriminatie tussen 'voor- en na- HOS'sers' niet opge heven, maar is er wel een eerste stap gezet naar een gelijkere behandeling. Wanneer overheid en bonden de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling opvatten als een aansporing om bijvoorbeeld nog eens naar de pensioenopbouw te kijken, houden ze bovendien het initiatief. Want als de uitspraak van de commissie en de interpretatie ervan door individuele leden de enige richtsnoer wordt, betekent dat een overtreffende trap in de juridisering van de maatschappij en is het hek in het onderwijs van de dam.
Zie ook:
Ongelijk salaris leraren herstellen (16 januari 2001) |
NRC Webpagina's 17 JANUARI 2001
|
Bovenkant pagina |
|