|
IK BEN EEN CELLETJE OP MEZELF
|
Vindt u nog steeds dat schrijvers een speciale politieke of maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben? "Je kunt een zeer verdienstelijk kunstenaar zijn zonder een bepaalde overtuiging, maar mij boeien geëngageerde kunstenaars het meest. Uit mijn overtuiging vloeide voort dat mijn werk in dienst stond van mijn politieke idealen. Mijn eerste getuigenis daarvan was de roman Stiefmoeder aarde (1936). Ik woonde nog in Sneek toen ik eraan begon en was net bezig me in het marxisme te verdiepen. Tot mijn blijdschap ontdekte ik dat er in mijn eigen geboorteprovincie Friesland aan het eind van de negentiende eeuw belangrijke sociale bewegingen waren geweest met Domela Nieuwenhuis als leider. Dat fascineerde mij en Stiefmoeder aarde is de weerslag daarvan.''
U was pas in de twintig toen u dit epos schreef. Heeft u het nog wel eens herlezen? Op mijn vraag of hij de titels uit zijn oeuvre kan aanwijzen die hem het dierbaarst zijn, noemt Theun de Vries als eerste de historische roman Het motet voor de kardinaal (1960). Het boek speelt in het Rome van eind vijftiende eeuw, waar een musicus uit de lage landen in verzet komt tegen de wereldse corruptie van de Borgia's. Verkapte kritiek van de toen nog communistische schrijver op de machthebbers in de Sovjet-Unie? "Ja'', zegt De Vries, ,,zo kun je het lezen. Maar bij het schrijven kwamen er allerlei motieven in beweging: mijn visie op de natuur, op de maatschappij, op het menselijk bederf, maar ook op de zuiverheid van de kunst die zich daarboven wil verheffen. Er is eigenlijk nooit een overheersend motief. In een boek komt alles tot uiting wat er in de schrijver aanwezig is. Maar Het motet voor de kardinaal is ook een technisch hoogstandje, door de manier waarop ik de muziek erin behandeld heb. Muziek is in mijn leven steeds belangrijker geworden. Ik vind het de meest mysterieuze kunst die er bestaat.'' Als tweede favoriet noemt hij Ziet een mens! uit 1963, (later herdrukt onder de titel Vincent in Den Haag), een korte roman over Van Gogh. "Maar de grote liefde van mijn oude dag is Baron. Het gaat over een jonge toneelspeler die leerling wordt van Molière en zich ontwikkelt tot een ster, een van de grootste acteurs van de zeventiende eeuw. De eigenlijke held is Molière, met zijn grote zachtmoedigheid en menselijkheid. Hij is een vaderfiguur voor deze jongen, een nobel kunstenaarsgemoed. Kunstenaars, of ze nu muziek,beelden, schilderijen of boeken maken, hebben mij altijd gefascineerd.'' Het valt me op dat De Vries zijn meest politiek gekleurde romans, zoals Het meisje met het rode haar (1956) over de verzetsstrijdster Hannie Schaft en Februari (1962), een driedelig epos over de februaristaking van 1941 tegen de jodenvervolgingen, niet noemt. "Het meisje met het rode haar is, na de herdruk in 1977, verfilmd en toen is het boek weer erg goed gaan lopen. Ik vond het een heel mooi gemaakte film, maar ik heb tegen Ben Verbong, de regisseur gezegd: je laat Hannie Schaft te veel als individuele terroriste optreden, terwijl ze onderdeel was van een communistische verzetsgroep. Er wordt in de film weliswaar een keer een illegaal nummer van De Waarheid getoond, maar verder wordt dat niet duidelijk en dat is jammer. "Februari vind ik nog steeds een heel interessant boek, waar ik veel studie en energie in heb gestopt. Ik heb er nog zo één: 1848, ook een trilogie. Er is een enorme hoeveelheid materiaal in die boeken verwerkt en daarom zijn ze mij dierbaar. Maar ze geven niet helemaal de persoonlijkheid Theun de Vries weer, ze drukken niet uit wat er in mijn ziel zit. "Mijn werk is voor een deel sociaal-realistisch te noemen, maar veel andere elementen spelen er ook een rol in. Het voornaamste is dat ik altijd een verteller ben geweest. Dat is een tijd lang in Nederland niet zo gewaardeerd. Van schrijvers werd verwacht dat ze diepe waarheden ontdekken en de mens psychologisch verkennen. Dat deed ik ook natuurlijk. Maar toch: de vertellers werden naar het tweede plan geschoven. Desondanks geloof ik nog steeds dat het onderliggende principe van alle grote literatuur het sprookje is. Als je begint met: er was eens, dan spitsen alle mensen hun oren. Ze willen een verhaal horen. Ik ben groot geworden met verhalen en ik kan ook niet anders dan verhalen vertellen. En dat is heerlijk. "Februari is een documentaire roman: gebouwd op interviews met arbeiders die aan die staking hebben deelgenomen. Ik had een enorm dossier, dat ik aan uitgeverij Pegasus gegeven heb. Er zaten wel zestig interviews in met alle mogelijke mensen. Maar het is zoekgeraakt, waarschijnlijk weggegooid. Dat gaat me nog steeds aan het hart. Het had nu in het IISG (Internationaal Institituut voor Sociale Geschiedenis) moeten liggen. Er ligt daar wel het een en ander van mijn archief, maar het meeste heb ik aan het Letterkundig Museum gegeven. Stapels en stapels, eigenlijk veel te veel. Al mijn correspondentie tot ongeveer 1975 is daar nu : brieven van Marsman, Dirk Coster, Greshoff, Vestdijk, Nijhoff, van Friese schrijvers als Fedde Schurer en Douwe Tamminga en van nog heel veel anderen.''
Met welke Nederlandse schrijvers voelt u zich het meest verwant?
Wat deed u met die solidariteit, met uw politieke hartstocht, toen u eenmaal uit de CPN was? "Dat geldt ook voor wat ik van Spinoza heb meegekregen Ik heb uit eerbied een monografie, een filmscenario en twee hoorspelen aan hem gewijd. Van Spinoza leerde ik gelijkmoedig te zijn in tegenslag, hij gaf mij een positieve visie op het menselijk bestaan. Door hem erkende ik de noodzakelijkheid van het vrijheidsbeginsel. Innerlijke vrijheid, wel te verstaan.''
|
NRC Webpagina's
25 april 1997
|
Bovenkant pagina |