U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
24/7 Media Europe ad
N R C   H A N D E L S B L A D  -  W E T E N S C H A P
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

 NIEUWSSELECTIE 
 KORT NIEUWS 
 RADIO & TELEVISIE 
 MEDIA 

NIET ALLEEN DE BLANKEN BEDREIGDEN DE BIZON

Jacht op een cliché


De jaarlijkse bizonoogst op de Amerikaanse prairies daalde van ruim 4 miljoen in 1872 tot bijna 0 in 1883. Het romantische idee dat de eeuwen daarvoor indianen en bizons in ecologisch evenwicht leefden, klopt echter niet, blijkt uit twee studies.

Sjoerd de Jong

In The Indian Frontier of the American West vermeldt de historicus Robert M. Utley een gebeurtenis uit de nadagen van de prairie-indianen die hun afhankelijkheid van de bizon treffend en ontroerend illustreert. Een ondernemer in Sioux Falls, waar in april 1891 een indiaan terechtstond wegens moord op een militair, bracht als toeristische attractie zeventien bizons samen in een koraal aan de rand van de stad. De stedelingen konden zich er op respectvolle afstand vergapen aan de ruige beesten, die al vrijwel uitgestorven waren. Toen een groep Sioux-indianen de dieren in de gaten kreeg, sprongen en dansten ze van vreugde om de koraal heen. Twee van hen 'klommen over het hek en probeerden de dieren te omhelzen'. Het was een zeldzame ontmoeting tussen twee bedreigde 'soorten'.

In hun reservaten, waar ze teerden op rantsoenen van de federale overheid, probeerden de indianen intussen de traditionele jacht op de bizon nog een tijdje kunstmatig levend te houden. Telkens als een lading slachtkoeien werd aangevoerd, klommen de mannen op hun paarden om een gefingeerde bizonjacht op te voeren en de koeien ritueel dood te schieten. Deze geïmproviseerde poging tot cultuurbehoud irriteerde de Amerikaanse overheid dusdanig, dat ze verbood de indianen nog langer van levende koeien te voorzien. Hun transformatie tot modelburgers moest immers worden bevorderd door hen te verlossen van hun taal, godsdienst, en culturele gebruiken ('Kill the Indian and save the man', zoals een adagium van die paternalistische integratiepolitiek luidde).

In de populaire verbeelding is de bizon sindsdien uitgegroeid tot een even krachtig symbool van het Wilde Westen als de cowboy en de indiaan. Nadat het dier nagenoeg was uitgeroeid, werd het een ikoon van de ongetemde frontier, de beschavingsgrens van het negentiende- eeuwse Amerika. Verenigingen voor het behoud van de bizon werden eind negentiende eeuw vooral bevolkt door blanke mannen uit de steden aan de Oostkust. Die lijn valt moeiteloos door te trekken naar de late twintigste eeuw. Kevin Costner, die in de speelfilm Dances With Wolves deelneemt aan een indiaanse bizonjacht, is een model van gekwelde blanke mannelijkheid, die wordt gelouterd in de wildernis. Ook daar is het Westen een ongerept paradijs, waar nobele en vrome wilden in ecologische harmonie samenleefden met de bizon.

Hollywood

De moderne wetenschappelijke literatuur heeft veel van zulke vooroordelen overtuigend weerlegd. Ondanks de houdgreep van Hollywood op de populaire verbeelding, begint het onderzoek naar de economie, ecologie en antropologie van 'het Wilde Westen' steeds meer volwassen te worden. Veel disciplines vullen elkaar bovendien op een interessante manier aan, wat een frisse blik mogelijk maakt op een sociale, culturele en natuurlijke geschiedenis die in een eeuw show business en popularisering bijna is doodgedrukt. Hoe controversieel zo'n veelzijdige visie is, bleek uit de reacties op The Ecological Indian van de antropoloog Shepard Krech, een polemisch boek waarin mythes over indiaanse ecologie en economie nuchter werden onderzocht. Shepard Krech inventariseerde allerlei gegevens die het populaire beeld aantasten van een milieuvriendelijke indiaanse cultuur, een anachronistisch beeld dat de indianen reduceert tot 'natuurmensen' en een projectie van blanke wensdromen. Het kwam hem te staan op een schrobbering van indiaanse activisten - die in een ironische omkering soms de blanke stereotypen over zichzelf zijn gaan geloven - en van de prominente indiaanse intellectueel Vince Deloria jr, die het boek hekelde als een aanval op indianen.

The Destruction of the Bison van Andrew Isenberg, verbonden aan Princeton, is een ander, zeer geslaagd voorbeeld van nieuwe, ecologische geschiedschrijving. Isenberg behandelt de Amerikaanse prairies als een dynamische omgeving waar indianen, blanken en dieren elkaar ontmoetten en beïnvloedden. Zijn woordkeus is hier en daar politiek correct (hij spreekt van indianen en Euroamerikanen) en wat chaos-theorie precies te maken heeft met ecologische instabiliteit, blijft onduidelijk, maar grosso modo is Isenbergs studie een heldere en compacte analyse van de complexe wisselwerking tussen mens, dier en milieu op de Amerikaanse prairies van de negentiende eeuw.

De tegenstelling tussen een statische indiaanse cultuur, die onderdeel zou zijn van de natuur, en een dynamische blanke expansie komt hier op een verfrissende manier te vervallen. Niets was statisch op de prairies van het Westen, onderstreept Isenberg, alles was er in beweging. Fluctuaties in regenval en droogte zorgden er voor vrijwel permanente ecologische onrust. Bereden indianenvolken zoals de Sioux deden vanaf de achttiende eeuw hun intrede op de prairies, westwaarts gedrukt uit Minnesota door Europese ziektes en stammen die op hun beurt door de blanke expansie in de verdrukking waren geraakt. De verspreiding van het paard in het Westen betekende een ongekende dynamisering van indiaanse cultuur: het vergrootte hun actieradius en stelde hen in staat landbouw op te geven en zich volledig te concentreren op de bizonjacht. De nomadische cultuur van de prairie-indianen, aldus Isenberg, was een creatie van hun blootstelling aan Europese invloeden. Hij spreekt van het nomadische experiment, een rake term die veel romantische - en uiteindelijk neerbuigende - clichés rond de indianen losweekt. De prairie-indianen waren in zekere zin evenzeer ondernemende bewoners van een nieuwe wereld als de blanke pioniers in hun huifkarren.

labiel evenwicht

Kern van Isenbergs boek is dat de vernietiging van de bizon niet exclusief aan één factor te wijten is, ook al was die nooit zo totaal geweest zonder de ongekende slachtpartij die een handvol blanke jagers na 1870 aanrichtte. Het milieu waarin de bizon leefde was voordien in labiel evenwicht, door droogte, indiaanse jacht en competitie met andere diersoorten om water en voedsel. Die analyse ligt in Amerika politiek gevoelig. Apologeten van een harmonieuze indiaanse ecologie wijten de uitroeiing van de soort graag geheel aan blank winstbejag. Conservatieve critici wijzen gretig op onderzoek waaruit blijkt dat de bizon al vóór de hoogtijdagen van de commerciële jacht een bedreigde soort was, onder meer door indiaanse overjacht. De kwestie is niet louter academisch. Disputen over indiaanse visrechten en landbeheer zijn aan de orde van de dag in de Verenigde Staten, en alle strijdmiddelen worden daarbij ingezet, inclusief de resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar het vermeende ecologische gehalte van de indiaanse cultuur.

Isenberg zal die dans vermoedelijk ontspringen, zijn compacte studie is daar te genuanceerd voor en ontbeert de polemische bedoelingen van Krech. Hij onderstreept dat de prairie-indianen niet kunnen worden omschreven als primitief. Hun voorouders hadden landbouw en een sedentair leven gekend, maar waren onder druk van de Amerikaanse expansie (en ziektes) de vlaktes opgetrokken om zich te specialiseren in de bizonjacht. Die culturele revolutie was mogelijk dankzij de komst van het paard, dat door de Spanjaarden in de zestiende eeuw werd geïntroduceerd en zowel in het wild als via handelsroutes steeds verder noordwaarts verspreid raakte. Eenmaal op de vlaktes, zwierven de nomaden niet zomaar wat rond. Ze kenden afgebakende territoria en volgden het spoor van de bizonkuddes, die in de zomer samenkwamen, maar zich daarna weer verspreidden. De fragmentatie van de indianen - die hun in hun confrontaties met de Amerikanen fataal zou worden - was een gevolg van de verbrokkelde aard van de bizonjacht.

27 miljoen bizons

Hoe zwaar drukte het nomadische experiment op de bizonpopulatie? In 1800 leefden ongeveer 60.000 nomaden op de prairies, van Kansas tot de Rocky Mountains, en 27 tot 30 miljoen bizons. Shepard Krech schat in The Ecological Indian dat de stammen 2,5 kilo bizon per persoon per dag gebruikten (voor uiteenlopende doelen als voeding, kleding, gebruiksartikelen). Voor de complete indiaanse bevolking betekende dat per jaar ruim een half miljoen bizons, een verlies dat een populatie van 30 miljoen dieren onder normale omstandigheden goed zou moeten kunnen verdragen.

De crux was volgens Krech dat de omstandigheden op de prairies nu eenmaal zelden normaal waren. Periodes van grote droogte konden de bizon al in gevaar brengen. Daarbij kwamen ingrijpende ecologische veranderingen: de concurrentie om water en gras met paarden en koeien, de uitputting van de grond, ziektes en, als genadeklap, de commerciële jacht. Op de prairies graasden volgens een ruime schatting van Isenberg begin negentiende eeuw 360.000 tot 900.000 getemde paarden (afhankelijk van de grootte van indiaanse kuddes), en nog eens twee miljoen wilde. Bij elkaar verbruikten die genoeg voedsel om twee miljoen bizons in leven te houden. Daarnaast leefden op de vlaktes zo'n 1,5 miljoen wolven. Die precaire en turbulente natuurlijke omgeving van de bizon, aldus Isenberg, droeg bij aan zijn ondergang.

De indianen geloofden overigens dat de bizon nooit op zou raken en altijd wel in grote aantallen zou terugkeren, mits hij met respect werd behandeld. Isenberg erkent dat de nomaden, ondanks dat rituele verbod op verspilling, regelmatig meer bizons doodden dan strikt genomen nodig was voor hun overleving, een praktijk die volgens hem een sociaal doel diende. Na de zomerjacht kwamen de rondtrekkende groepen indianen samen om te feesten met grote hoeveelheden bizonvlees. Het was een middel om de banden aan te halen, na periodes van droogte, schaarste en soms zelfs hongersnood. Isenberg concludeert dat het nomadische experiment instabiel was, evenals de ecologie van de prairies. Hun afhankelijkheid van de bizon maakte de nomaden kwetsbaar. Het gebruik van paarden was een revolutie die hun economie aanjoeg, maar tegelijkertijd de indiaanse groepsethiek bedreigde waarin het individu allereerst voor de gemeenschap werkte. De komst van de bonthandel verstoorde dat wankele evenwicht ten slotte definitief. 'Met de handel in huiden, wierpen de nomaden zich op de vernietiging van de bizon', aldus Isenberg. En met de bizon hielpen ze uiteindelijk zichzelf vernietigen.

ziektekiemen

De handel in bizonhuiden kwam per stoomboot, een transportmiddel dat zelf ook in meer dan één opzicht de ecologie van de prairies verstoorde. De behoefte aan brandhout veroorzaakte ontbossing langs de rivieren en dreef de bizon verder naar het westen; op de stoomboten reisden bovendien ziektekiemen mee die complete indianendorpen verwoestten. Al in 1840 brachten indiaanse jagers meer dan 100.000 bizonhuiden naar de stoomboten van de American Fur Company, een aantal dat bovenop hun eigen jaarlijkse behoefte aan bizons kwam. Zoals de nomadische cultuur van de prairie-indianen indirect een reactie was op Europese invloeden, zo had hun kennismaking met de blanke huidenhandel grote culturele gevolgen. De wens om zoveel mogelijk huiden te produceren voor de markt leidde tot een scherpere arbeidsdeling tussen de seksen en toename van polygynie: een goede jager kon meer huiden binnenbrengen dan één vrouw kon bewerken (18 tot 20 per winter). De behoefte aan paarden en arbeidskrachten leidde tot rooftochten en slavenhandel. Twisten om de slinkende jachtgebieden hielden de frontier vanaf 1840 in permanente onrust. Ook de consumptie van alcohol, een favoriet handelsobject, had ontwrichtende effecten.

De analyse van Isenberg doet hier denken aan ander antropologisch onderzoek naar de invloed van de commerciële markt op niet- westerse stammen, zoals dat van H.U.E. Thoden van Velzen naar de bosnegers van Suriname. Thoden van Velzen kwam tot de conclusie dat de onrust en heksenjachten die van 1890 tot 1920 optraden onder Surinaamse bosnegers, bijproducten waren van de commerciële vrachtvaart die toen in opkomst was. Nieuwe elites probeerden met het probate middel van religieuze vervolging hun critici uit te schakelen. Zo ver kwam het op de prairies niet. De kloof tussen traditionalisten en progressieven werd onder veel indiaanse stammen pas werkelijk een destructieve kracht toen ze waren ondergebracht op reservaten en zich moesten voegen in een nieuw, sedentair bestaan. Uit de culturele nood werd de heilsboodschap van profeten als Wovoka geboren, die zich rond 1890 over de reservaten verspreidde en, uiteraard, een terugkeer van de bizon beloofde.

Het lot van de bizon werd bezegeld door de industriële revolutie, die na de Amerikaanse Burgeroorlog in een stroomversnelling kwam. Spoorlijnen sneden het territorium van de bizon in steeds kleinere stukken en voerden immigranten en jagers aan. Fataal was ten slotte de ontdekking in een leerlooierij in het Oosten dat van bizonhuid eenvoudig leren riemen gemaakt konden worden voor gebruik in machines en fabrieken. Twee obstakels voor de ongebreidelde jacht op de bizon - het korte jachtseizoen om een goede vacht te krijgen en de beperkte arbeidkracht van indiaanse vrouwen - werden zo in één klap uit de weg geruimd. Voor fabrieksleer waren de volle vacht en de arbeidsintensieve bewerking daarvan niet meer nodig.

De destructie van de bizon ging daarna zo snel, dat de jagers het tempo zelf niet eens doorhadden. Alleen al van 1872 tot 1874 werden op de zuidelijke prairies 4.374.000 bizons gedood door blanke jagers, 1.215.000 door indianen. Eén van de jagers, ene Orlando Brown, schoot zoveel bizons (5.855 in twee maanden) dat het geluid van zijn geweer hem doof maakte aan één oor. In 1878 waren de zuidelijke kuddes uitgeroeid. Daarna volgde het noorden. In de herfst van 1883, toen de bizon ook daar was verdwenen, trokken de jagers er weer op uit, maar het enige wat ze vonden waren rijen gebleekte karkassen. Een wetenschappelijke expeditie trof dat jaar nog tweehonderd bizons aan. De laatste treinlading met bizonhuiden vertrok in 1884 naar leerlooierijen in het Oosten. 'De bizon stierf als een industrieel dier en niet als een mode-dier zoals de bever en de otter', concludeert de historicus Richard White in The Oxford History of the American West.

versimpeld darwinisme

Sommige politici in Washington trachtten tevergeefs de slachtpartij een halt toe te roepen. Voor de meerderheid waren niet alleen de economische belangen te groot. Zij zag de uitroeiing van de bizon niet als een verlies, maar juist als een goede manier om de indianen in het gareel te dwingen en dus als een onafwendbare fase in de opmars van de beschaving. In het versimpelde darwinisme dat ook door veel politici werd aangehangen, was de bizon niet the fittest. De romantisering van het dier kwam, met die van de cowboy, aan het eind van de negentiende eeuw op gang, en diende toen volgens Isenberg mede als uitlaatklep voor de gevestigde Anglo-Amerikaanse burgerij, die zich bedreigd voelde door nieuwe golven immigranten uit Zuid- en Oost- Europa. De angst voor cultureel verval stimuleerde de heroïsering van het Westen, compleet met de bizon als symbool van natuurlijke kracht en ongebondeheid. Toen hij vrijwel was verdwenen, werd de bizon een masculien symbool.

Inmiddels is de bizon dankzij overheidsbescherming en particuliere boeren bescheiden terug in het Amerikaanse landschap, in parken en op honderden bison ranches. Yellowstone Park heeft al sinds de opening in 1872 een kleine kudde, die na strooppartijen (in 1894 waren er nog 25 over) streng wordt beschermd. Het grootste deel van de bizons is in particuliere handen: in 1996 waren dat er ruim 200.000 stuks, grotendeels gefokt voor de slacht. Die bizon is intussen niet meer de oude. Alle huidige dieren stammen af van de ongeveer vijfhonderd die er in 1900 over waren, wat een forse versmalling van de genetische diversiteit van de bizon betekent. Het Wilde Westen leeft zo nog steeds, op de bison ranch. Maar het wilde grasland waar de dieren ooit leefden en werden gejaagd, dat labiele eco-systeem is door het dynamische samenspel van bevolkingsdruk, jacht en kolonisatie onherkenbaar veranderd.

Andrew C. Isenberg: The Destruction of the Bison. An Environmental History, 1750-1920. Cambridge University Press, 206 blz. ƒ69,85Shepard Krech III: The Ecological Indian. Myth and History. Norton, 318 blz. ƒ 78,25

NRC Webpagina's
29 JULI 2000

Archief
Wetenschap & Onderwijs


( a d v e r t e n t i e s )

24/7 Media Europe ad

24/7 Media Europe ad

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad