U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
    M E D I A  
NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 

  NIEUWSSELECTIE  
  KORT NIEUWS  
  RADIO & TELEVISIE  
  MEDIA  

Commotie rond de VARA is irreëel


Het debat over de nieuwe Concessiewet voor de publieke omroep dat morgen in de Tweede Kamer begint, dreigt volledig over de toekomst van de VARA te gaan. Volgens H.M. van den Brink zijn er belangrijker vragen aan de orde. Bijvoorbeeld hoe publieke omroep er in de 21ste eeuw hoort uit te zien.

Natuurlijk is het beter wanneer de VARA geen commerciële zender begint. Beter voor het publieke bestel en beter voor de VARA. De kans daarop is dan ook betrekkelijk gering. Maar de gijzeling waarin de voormalige arbeidersomroep de laatste weken zowel Den Haag als Hilversum houdt, dreigt ervoor te zorgen dat de Tweede Kamer het morgen bij de behandeling van een nieuwe Concessiewet voor de publieke omroep alleen nog maar daarover heeft. Niet over de vraag wat de uitgangspunten voor publieke omroep in de eenentwintigste eeuw moeten zijn - en welke eisen dat stelt aan de organisatie. En al evenmin zal dan aan de orde kunnen komen of het huidige, nog altijd op de principes van de verzuiling gebaseerde omroepbestel, wel naar behoren functioneert.Om met die laatste vraag te beginnen: het antwoord luidt natuurlijk nee. De omroepen die op dit moment het bestel vormen doen dat voornamelijk bij de gratie van het aantal abonnementen op hun programmagidsen. Al sinds de coup waarbij de Avro zijn ledenbestand drastisch uitbreidde door de inlijving van het tijdschrift Televizier staat de gedachte dat de publieke omroepen ieder representatief zijn voor een maatschappelijke stroming en zo samen voor de gehele Nederlandse samenleving, stevig onder druk. De intree van de voormalige piraten Tros en Veronica en, heel recent, het als grap begonnen BNN maakte duidelijk dat de basis van het bestel geheel was vermolmd. Nu staan weer een paar aspirant-zendgemachtigden te dringen. Eén daarvan, de op de financiering van Goede Doelen gerichte Nieuwe Omroep, wordt bij haar aanvraag geholpen door de TROS. De leden van, pakweg, de Vereniging Natuurmonumenten zouden wel gek zijn om niet even twaalfenhalve gulden over te maken voor DNO, verklaarde de immer olijke TROS-voorzitter Karel van Dodewaerd vorige week op de televisie. Ze krijgen daar immers prompt negentig miljoen aan omroepgeld van de overheid voor terug.

Aan wat vervolgens uitgezonden wordt, is inderdaad vaak niet te zien of te horen welk levensbeschouwelijk beginsel zich nu weer manifesteert. Want de 'pluriformiteit' van Hilversum vormt in de praktijk vaak juist een legitimatie voor het maken van programma's die erg veel op elkaar lijken, en zelfs niet altijd verschillen van wat de commercie vertoont. Het was, alweer, de TROS die onlangs de Postcode Loterij Show overnam van een commerciële zender. Aan zo'n programma blijkt niets te veranderen wanneer het betaald wordt uit belastingopbrengsten in plaats van uit reclamegelden. En wanneer Veronica, dat nu commercieel is maar nog altijd beschikt over bijna een miljoen leden, morgen terug wil in het bestel, bijvoorbeeld om de periode tot een herstart te overbruggen, is dat in een handomdraai geregeld. Alleen de EO, de grootste en nog steeds snel groeiende omroep van Nederland, kan met recht volhouden dat ze een ideologie vertegenwoordigt en daar in bijna al haar uitzendingen van getuigt. Maar één zuil is niet genoeg voor een stelsel. Moeten de omroepen dus maar verdwijnen? Nee. Want bij alles wat op de omroepverenigingen valt aan te merken, moet ook gezegd worden dat Hilversum beschikt over een aantal sterke omroepbedrijven. Als het om kwaliteit gaat, slaat de Nederlandse publieke omroep ook internationaal gezien geen slecht figuur. Op het gebied van de kosten doen we het zelfs uitstekend. De verklaring daarvoor laat zich raden: door een historische speling van het lot beschikt Hilversum over een aantal middelgrote publieke productiebedrijven - groot genoeg om enige financiële slagkracht te hebben en klein genoeg om creatief en informeel te blijven - die veel wendbaarder zijn dan de grote, noodzakelijkerwijs zeer bureaucratische nationale omroepen in de landen om ons heen. Dat moet ook zo blijven. Ze zouden zich alleen nog wat meer moeten specialiseren, ieder voor zich sterk moeten worden in slechts een paar genres met een eigen, herkenbare stijl. De legitimatie voor het geld dat de publieke omroepbedrijven ontvangen zou vervolgens in een oordeel over hun programmapakket gevonden moeten worden - en niet op basis van een vage achterban.

Krijgen we op die manier dan geen staatsomroep, die het woord spreekt van de regering die het brood uitdeelt? Dat is nergens voor nodig. Natuurlijk moet een omroep die aanspraak maakt op belastinggeld zich verantwoorden. Ze moet duidelijk maken dat haar programma's door een commercieel bedrijf op deze manier nooit gemaakt hadden kunnen worden, dat ze kwaliteit hebben en dat ze recht doen aan de rijke geschakeerdheid van onze samenleving. Maar verantwoording en toetsing betekenen niet automatisch inmenging en verlies van onafhankelijkheid. Nederland kent ook geen staatskunst en geen staatswetenschap die van karakter veranderen wanneer een nieuw kabinet aantreedt. En wie de laatste weken ziet hoe sommige omroepverenigingen invloed trachten uit te oefenen via het kanaal van de van oudsher verwante politieke partijen, kan ook nog wel een vraagteken zetten bij de bejubelde huidige onafhankelijkheid.

Wat beschermt dient te worden is de onafhankelijkheid van programmamakers, van gewetensvolle journalisten - niet alleen tegenover de politiek maar ook ten opzichte van hun eigen werkgevers, de huidige omroepverenigingen. De moderne manier om zoiets te regelen is door het opstellen en aanvaarden van een redactiestatuut. Helaas gaan aan de vooravond van het Kamerdebat stemmen op om zo'n statuut in te voeren, maar dan juist ter bescherming van die werkgevers, verenigd in de netbesturen - en niet van de netredacties. Dat is een stap in de verkeerde richting, terug naar de gebondenheid aan ideologie en belangenbehartiging in plaats van op weg naar meer gegarandeerde onafhankelijkheid.

Wie zou in de toekomst het geheel van omroepbedrijven moeten sturen en moeten binden tot een divers, maar samenhangend geheel? Al eerder heeft de wetgever gekozen voor een Raad van Bestuur om die functie te vervullen en in februari 1998 trad dan ook een dergelijk college aan. Eerste prioriteit had de zogenoemde 'zenderkleuring' of 'netprofilering'. Op zichzelf een goed idee: zorg dat de kijker in het almaar grotere aanbod weet voor welke type programma hij onder welke knop terecht kan en verlaat de achterhaalde gedachte dat iedere omroep en ieder net alle dingen voor alle mensen dient te bieden. De uitwerking stemt helaas tot nu toe niet erg vrolijk, doordat het principe gecombineerd werd met de gedachte dat al die programma's dan ook meer mensen moesten gaan bereiken. Zo kon het gebeuren dat het in naam op 'verdieping' gerichte Nederland 3 nu de opdracht heeft minder informatieve programma's te maken en dat de kunstprogramma's die op Nederland 2 in het kader van de herschikking mogen vervallen, geen nieuwe plek vinden op 1 of 3. Slecht 'scorende' programma's verdwijnen bovendien steeds vaker naar de randen van de nacht. Per saldo dreigt de netprofilering dus niet meer diversiteit maar juist meer eenvormigheid op te leveren, door het afstoten en marginaliseren van specifiek publieke taken. Ook daartegen zou een redactiestatuut, gecombineerd met een heldere opdracht van parlement en kabinet aan de publieke omroep, een wapen kunnen zijn.

Het streven naar steeds meer programma's voor steeds grotere groepen is ook strijdig met de ontwikkeling van het kijkgedrag en van de techniek. Bij een steeds groter aanbod ontstaat juist steeds meer behoefte aan specifieke uitzendingen voor kleine doelgroepen. Het zou daarom slecht zijn als de publieke omroep nu haar expertise op dit gebied laat varen. Natuurlijk moeten er ook uitzendingen zijn waar de hele natie af en toe voor thuisblijft. Maar drie zenders bieden op dit moment genoeg ruimte om beide rollen te vervullen en binnen zeer afzienbare tijd zorgt de techniek ervoor dat kijkers op ieder gewenst moment ieder gewenst programma tot zich kunnen nemen. Dan bestaan er geen netten meer, of onnoemelijk veel, en gaat het alleen nog maar om afzonderlijke programma's die bekeken worden om hun eigen kwaliteit en soms op grond van een aanbeveling door hun afzender - de omroep als keurmerk voor stijl, integriteit, eigenheid.

In dat licht lijkt het des te onwaarschijnlijker dat de VARA nu de publieke omroep zou willen verlaten om zoiets achterhaalds als de 'sandwich-formule'. De programma's van deze omroep worden nu noch in de toekomst door wie dan ook bedreigd. Dus waarom alle commotie? Waarom geen wet waar we de komende jaren mee vooruit kunnen in plaats van een debat over verouderde kwesties en obsolete structuren? De programma's van de publieke omroep, de mensen die er met hart en ziel aan werken, en vooral de kijkers verdienen beter.

H.M. van den Brink is hoofdredacteur van de VPRO-televisie.

NRC Webpagina's
17 JANUARI 2000


    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl)