Jurisprudentie privé-declaraties burgemeesters 'glashard'
Wie fout declareert moet weg
Door onze redacteuren GEERT VAN ASBECK en TOM-JAN MEEUS
ROTTERDAM, 12 FEBR. Binnenlandse Zaken, het departement van minister Peper, was eerder streng
voor los declarerende burgemeesters. Het dwong eerder jurisprudentie af die
stelt dat declaraties van 4.000 gulden privé-uitgaven goed zijn voor
oneervol ontslag.
De accountants van oud-burgemeester A. Peper van Rotterdam maken dezer
dagen overuren. Zij werken aan de vragen, twee weken geleden gesteld, van
de Rotterdamse raadscommissie die Pepers declaraties onderzoekt. De kwaliteit
en inhoud van dat werk bepalen ten slotte de politieke toekomst van Peper.
Als de antwoorden er vermoedelijk volgende week woensdag zijn, kan de commissie
definitieve bevindingen formuleren.
Peper heeft gezegd dat hij onkreukbaar is. Maar wat nu als, zoals op het
Rotterdamse stadhuis wordt gezegd, uit het onderzoek blijkt dat Peper soms
toch privé-uitgaven op kosten van de gemeenschap heeft gedaan: hoe
groot is dan zijn marge?
Normaal houdt Pepers eigen ministerie van Binnenlandse Zaken afstand als
discussie over declaraties van een burgemeester ontstaat. Veelal beperkt de
rol van het departement zich tot het advies een accountant de rechtmatigheid
te laten beoordelen. Dat is: onderzoeken of de regels zijn nageleefd. In het
verleden mochten burgemeesters blijven ondanks dubieuze declaraties van duizenden
guldens, anderen werd voor een paar duizend gulden het vertrouwen opgezegd.
Alleen als dat laatste gebeurt, komt Pepers ministerie aan zet. Een gemeenteraad
kan formeel geen burgemeester ontslaan. Maar de laatste jaren is het gewoonte
dat het ministerie in zo'n geval de raad automatisch volgt.
Het saillante aan de kwestie-Peper is dat het departement die gebruikelijke
afstand niet kan bewaren. De Rotterdamse raad, die het onderzoek verricht,
is geen partij meer. Aldus wordt Binnenlandse Zaken straks de eerste partij
die de zaak moet beoordelen. En van belang wordt dan de strenge positie die
het ministerie in het recente verleden innam inzake incorrecte declaraties.
Eén casus is in meer opzichten prikkelend. Dit betreft de oud-burgemeester
van Goes, T. Seinstra. De enige zaak op dit vlak die tot en met de hoogste
gerechtelijke instantie, de Centrale Raad van Beroep in Utrecht, is uitgevochten.
Seinstra wordt najaar 1992 ontslagen door wijlen minister I. Dales (Binnenlandse
Zaken) wegens verkeerde declaraties. Als eerste burgemeester sinds de tweede
wereldoorlog wordt hem het predikaat 'eervol' onthouden. Kort ervoor heeft
Dales de 'integriteit van de overheid' op de agenda gezet; Peper publiceerde
er vorig najaar een vervolgnota op.
Seinstra is begin 1992 in de problemen gekomen nadat wethouders zijn declaraties
ter discussie stellen. Hij beaamt dat hij ,,slordig en onzorgvuldig'' was
en betaalt het onterecht gedeclareerde (3.900 gulden over drie jaar) terug.
De raad zegt toch het vertrouwen op. De onterechte declaraties betreffen vooral
,,reizen die geen relatie hadden met de uitoefening van het burgemeestersambt'',
schrijft Dales later aan Seinstra. De Rotterdamse raadscommissie heeft ook
zulke reizen van Peper in het vizier.
Seinstra besluit, hoogst uitzonderlijk, tegen zijn ontslag te procederen.
Eerst komt zijn zaak 2 juli 1993 voor de rechtbank in Dordrecht. Namens Dales
voert toenmalig BiZa-jurist P.H. Banda het woord. Hij wordt bijgestaan door
E.M. Veldstra (nog altijd op het ministerie als hoofd Arbeidsverhoudingen
en Juridische Zaken). Volgens de pleitnotitie die Banda uitspreekt, draait
de zaak om ,,tenminste enkele duizenden'' guldens verkeerde declaraties. ,,De
minister heeft (...) niet anders kunnen concluderen dan dat klager door zijn
handelen schade heeft toegebracht aan het aanzien van door hem beklede ambt'',
aldus Banda voor de rechtbank. Dat Seinstra geen opzet in de zin had, wat
hij tegen het oneervolle ontslag inbrengt, vindt Binnenlandse Zaken een ,,volstrekt
onbegrijpelijk'' verweer, zegt Banda. ,,Van een burgemeester mag toch (...)
tenminste worden verwacht dat hij zich ook in dit opzicht zéér
zorgvuldig gedraagt.''
De rechtbank volgt deze redenering, blijkt uit de uitspraak van 29 juli.
Het gaat om ,,het declaratiegedrag (...) op zich'', aldus de uitspraak. En:
,,(...) niet de hoogte van het bedrag is aan de orde, doch klagers handelwijze''.
Het oneervolle ontslag wordt bevestigd.
Seinstra eindigt 22 juni 1995 bij de Centrale Raad van Beroep. Topambtenaar
Veldstra (huidig VVD-voorman H. Dijkstal is inmiddels zijn minister) verdedigt
het ontslag. Met succes. ,,Het ontslagbesluit kan worden gedragen door de
feiten (...), te weten het declaratiegedrag van de eiser'', aldus de Raad.
Zo ontstaat jurisprudentie voor de burgemeester-in-declaratieproblemen,
zegt de Haagse raadsman mr. H. Petten, advocaat van Seinstra en geroutineerd
advocaat inzake arbeidsgeschillen bij de overheid. ,,De zaak Seinstra'', zegt
Petten, ,,is zo bijzonder omdat deze tot in de hoogste rechtsinstantie is
uitgevochten. Dit is het ijkpunt.''
Vraag is welke betekenis de zaak heeft voor de kwestie-Peper. Hoogleraren
arbeidsrecht denken daarover niet eenduidig. Allemaal zien ze saillante overeenkomsten
met de kwestie-Peper. Maar, zegt de Nijmeegse hoogleraar arbeidsrecht I. Asscher-Vonk,
strikt juridisch is er een verschil: Peper is al ontslagen als burgemeester
van Rotterdam, dus als een zelfde klein vergrijp blijkt als bij Seinstra,
is ontslag niet meer uitvoerbaar.
P. van der Heijden, hoogleraar arbeidsrecht Amsterdam, zegt echter dat
Binnenlandse Zaken dezelfde redenering zal moeten volgen als in de zaak-Seinstra,
als Peper enkele duizenden guldens onrechtmatig blijkt te hebben gedeclareerd.
,,Dan is ontslag onvermijdelijk.''
Advocaat Petten denkt hetzelfde. ,,Het ministerie moet consequent zijn.
De jurisprudentie van de zaak-Seinstra is glashard. Ik ben het er niet mee
eens, ik heb mij er destijds namens mijn cliënt gedocumenteerd tegen
verzet. Maar de uitspraak van de Centrale Raad laat ingeval van verkeerde
declaraties door de minister van Binnenlandse Zaken maar één
uitweg: hij moet vertrekken. Dat is de betekenis van de jurisprudentie die
zijn eigen ministerie heeft afgedwongen'', aldus Petten.