NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE


Dossier Clinton

Actueel

Transcriptie van Clintons verhoor voor de Grand Jury (17 aug. 1998). Ook als zip-bestand te downloaden.

Starr Report

Clintons reactie op het Starr Report

Clintons tweede reactie op het Starr Report

Monica Lewinsky

Linda Tripp

Paula Jones

Links

Amerikaanse media hebben hun plicht verzaakt

Door zich in de Lewinsky-affaire te laten leiden door roddel en achterklap hebben de Amerikaanse media aanklager Starr bevoordeeld, meent Harry van Wijnen. Ze krijgen nu de rekening gepresenteerd.

Televisiekomieken mogen avond aan avond de meest smakeloze grappen en grollen over het seksuele leven van president Clinton ten beste geven, politieke tegenstanders mogen hem ongestraft onder de gordel schoppen en ook in de meeste talkshows is alle kritiek op de president toegestaan. De Amerikaanse televisie zelf is onaanraakbaar voor kritiek op haar eigen handelen en voelt zich boven openbaar debat verheven. Het ABC programma World News Tonight maakte op 23 januari van dit jaar geschiedenis met een veelzeggend interview waarin een criticus de mond gesnoerd werd voordat hij twee zinnen had kunnen zeggen. In Brill's Content, het nieuwste tijdschrift over de Amerikaanse media, wordt dat `vraaggesprek' als een pregnant voorbeeld van de tv-arrogantie weergegeven.

Interviewer (Peter Jennings): ,,Hoe hebben de media het er tot dusver naar uw mening van afgebracht?'

Geinterviewde (woordvoerder van een academische school voor journalistiek): ,,Veel van wat we in de afgelopen dagen hebben gezien is speculatie, gerucht en verdachtmaking.'

Interviewer: ,,Ik vind dat de pers tamelijk goed werk heeft gedaan door bij herhaling te zeggen dat het om beweringen ging. Had u gewild dat we die zouden hebben genegeerd?'

Geinterviewde: ,,Nee. Maar we hebben tal van verslaggevers al maar uit de tweede hand horen weergeven wat Monica Lewinsky zo al zou hebben beweerd.'

Interviewer: ,,Okay. Tom Rosensteil, zeer bedankt. Kritisch over de pers. Deel van zijn werk.'

Steven Brill lanceerde de afgelopen zomer een veelbelovend alternatief voor de kritiek van de geknevelde Rosensteil: een 150 bladzijden dik tijdschrift dat geheel gewijd is aan mediakritiek. Brill's Content. The Independent Voice of the Information Age. Fraai gedrukt en rijk geillustreerd voor de prijs van 3 dollar 95 per nummer. In de meeste Amerikaanse kiosken in New York is het nog niet te vinden en in de enkele grote boekhandels die het daar wel verkopen ligt het enigszins verdwaald in de schappen van de universitaire periodieken waarmee het niet meer dan de typografie gemeen heeft. Brill's Content is een maandblad met een constitutionele missie, dat zichzelf heeft aangediend als de luis in de pels van de media en het devies voert dat journalisten dezelfde maatschappelijke verantwoordingsplicht hebben als de machthebbers waarover zij schrijven. Het tijdschrift draagt de naam maar bovenal het persoonlijke stempel van zijn uitgever en hoofdredacteur Steven Brill, een oude rot in de journalistiek en een voormalige advocaat met een Swiftiaanse gedrevenheid, die eerder fortuin maakte met een eigen televisiestation en een juridisch vakblad.

In het eerste nummer van zijn nieuwe blad legde Brill zijn kaarten al op tafel. In een uitvoerig gedocumenteerd opstel van 20.000 woorden trok hij van leer tegen de ordeloze, partijdige berichtgeving in de media over het onderzoek van de aanklager Kenneth Starr naar de relatie tussen president Clinton en de stagiaire Monica Lewinsky. Sinds de dagvaarding van Monica Lewinsky hebben de media volgens Brill de waarheid geweld aangedaan door het oor te lenen aan ongefundeerde geruchten, door een lawine van halve waarheden op gang te brengen en door onder een hoedje te spelen met de openbare aanklager. Op een paar goede uitzonderingen na zijn de media volgens Brill in de val van Starrs zorgvuldig uitgelekte informatie gelopen. Maar zelfs de media die in de regel de vereiste argwaan in acht namen waren niet altijd tegen diens `lekken' bestand. Brill citeert uit een intern memo van de hoofdredactie van de New York Times aan de redactie, van april jongstleden, waarin de chef van de redactie in Washington zegt dat het nieuws over Lewinsky ,,vooral in het begin wel heel erg gebaseerd is geweest op gevoelige informatie die afkomstig was van het bureau van de aanklager.' En dat de ,,bronvermelding noodgedwongen vaag moest blijven, omdat het nieuws verstrekt was onder de voorwaarde dat het zonder bronvermelding zou worden gebruikt.'

Steven Brill heeft er zijn eigen oordeel over: de media hebben door hun `schoothonden- en papegaaiengedrag' en hun onkritische gebruik van fragmentarische en gekleurde informatie uit diens eigen koker de openbare aanklager een beslissend voordeel verschaft. Clinton daarentegen was volgens Brill al veroordeeld lang voordat de feiten bekend waren en onderzocht.

Brill wijst in dit verband op een relevant verschil tussen staatkundige journalistiek en misdaadjournalistiek. In die laatste categorie mag het gebruik van eenzijdige informatie van het Openbaar Ministerie misschien tot de geaccepteerde zeden worden gerekend, voor de staatkundige journalistiek die het publiek moet informeren over het hoogste ambt in de staat, kan dat volgens hem nooit gelden. In de Amerikaanse strafrechtspraktijk laat geen enkele jury zich trouwens door eenzijdige publiciteit van de wijs brengen, zegt Brill. Jury's beoordelen altijd op grond van specifiek bewijsmateriaal. ,,Maar Bill Clinton krijgt geen proces met zo'n jury. Een impeachment is een politiek proces waarin alle schadelijke gevolgen van alle halve waarheden die over hem zijn uitgestort en alle lekken kunnen meetellen.'

De hoofdredacteur van Brill's Content heeft niets op met de beweerzucht waaraan zoveel journalistieke reputaties op de Amerikaanse televisieschermen lijden. Journalistiek moet volgens Brill op alle niveaus voldoen aan de eisen van nauwkeurigheid en controleerbaarheid en zich verre houden van speculaties. Volgens dat criterium analyseerde hij de berichtgeving in de eerste drie weken van januari (sinds Starr met de getuige Lewinsky op de proppen kwam) en baseerde daarop zijn vernietigende, maar verhelderende conclusie over het ontstellende gebrek aan accuratesse op de Amerikaanse televisie in de berichtgeving over de zaak Lewinsky. Bijna iedereen die enige rol van betekenis heeft gespeeld in enig televisieprogramma over de zaak Lewinsky, heeft hij ondervraagd. In een aantal gevallen heeft dat een alarmerend beeld van incompetentie en opportunisme opgeleverd. Tal van verantwoordelijke televisiebazen bekennen dat zij zich hebben laten meeslepen door de waan van de dag en sommigen geven toe dat zij spijt hebben van uitspraken en dat zij bepaalde vraaggesprekken niet hadden moeten uitzenden. De journalist Howard Fineman, een regelmatige gast in de talkshows van NBC rechtvaardigt zijn bijdrage aan de geruchtencyclus met het povere smoesje dat televisie een medium is dat gezwets in de hand werkt. Television is defenitely more loosey goosey than print. Dat allerlei journalisten van naam zich door de ervaren vakgenoot Brill in de kaart laten kijken is op de keper beschouwd minder opmerkelijk dan de loslippigheid die hij bij aanklager Starr weet op te wekken. Starr heeft op enkele onbetekenende uitzonderingen na geen interviews over zijn tactiek en werkwijze gegeven, maar tegenover Brill geeft hij toe dat hij drie vaste contacten in de media regelmatig heeft `gevoed': Newsweek, ABC en de Washington Post.

Volgens Brill waren dat de drie kanalen, waarvan Starr groot voordeel zou trekken: hij kreeg er niet alleen de meeste lekken geplaatst, maar ook een gunstige persoonlijke pers. Dat lange gesprek tussen de openbare aanklager Starr en de journalist Brill is een toonbeeld van een goed hard interview. Het toont Brills geduldige vasthoudendheid, maar ook zijn doeltreffende ondervragingstechniek en zijn juridische vaardigheid. De openbare aanklager praat zich vast in een hoek waaruit hij niet meer wegkomt, waardoor hij Brill in staat stelt aannemelijk te maken dat Starr zijn dagvaardingstactiek op de dubieuze bronnen van de schikgodinnen Linda Tripp en Lucianne Goldberg heeft afgestemd. In de weergave van dit opmerkelijke vraaggesprek komt Starr op geen stukken na als toonbeeld van rechtschapenheid naar voren. Starr gebruikt te veel woorden om Brill ervan te overtuigen dat zijn `briefings' tegenover bepaalde journalisten alleen bedoeld waren om misverstanden over zijn beleid recht te zetten en als zodanig geheel in overeenstemming met de richtlijnen van het ministerie van Justitie. Brill gelooft er geen woord van: ,,Zijn verdediging is niet alleen absurd, hij geeft zijn lekken nog toe ook.'

 

NRC Webpagina's
17 OKTOBER 1998

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad