U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
Klik hier
N R C   H A N D E L S B L A D  -  Z A T E R D A G S   B I J V O E G S E L
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

 NIEUWSSELECTIE 
 KORT NIEUWS 
 RADIO & TELEVISIE 
 MEDIA 

S c h a k e l s
'Kok, Van Aartsen en Pronk faalden'


Topdiplomaat Peter van Walsum blikt terug op twee jaar VN-Veiligheidsraad:

'Nederland is soms net een patiënt'


Foto: Roel Rozenburg



Peter van Walsum vond het af en toe gênant om voor Nederland in de VN-Veiligheidsraad te zitten. Nederlands hoogste diplomaat over de kwestie- Pronk/ Lubbers, zijn botsingen met de 'kuddematige' Tweede Kamer, Srebrenica en het 'schijnheilige' Afrika-beleid.

Robert van de Roer

Maandenlang zweeg Peter van Walsum over de geruchtmakende benoeming van Ruud Lubbers tot vluchtelingenchef van de Verenigde Naties en de mislukte kandidatuur van Jan Pronk. Maar nu hij op 1 januari met pensioen is gegaan als ambassadeur bij de VN, wil hij één indruk wegnemen: niet de diplomatie heeft gefaald, maar de politiek, oftewel premier Kok en de ministers Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) en Pronk ( VROM). " Natuurlijk was het bezopen zoals het ging!", moppert hij in zijn oosters en antiek ingerichte, Haagse zitkamer. "De fout is dat men niet heeft willen luisteren naar ambtelijke waarschuwingen. Wij moesten deze zaak aan de politiek overlaten. De houding van de politici was: dit keer gaan we het subtiel doen en geen fouten maken. Kok liep handenwrijvend rond: potverdomme, dit gaat nou eindelijk eens lukken, dankzij het feit dat de politiek het allemaal doet. Die indruk heeft hij bij mij duidelijk gewekt. En toen het mis ging, schreven de kranten: die stomme diplomaten hebben weer een steek laten vallen. Ik had toen echt verwacht dat een minister of woordvoerder zou zeggen: hoho, het ligt anders."

De affaire-Pronk/Lubbers is samen met Kosovo, Oost-Timor, Irak en Sierra Leone een van de vele kwesties waarmee Van Walsum zich de afgelopen twee jaar heeft beziggehouden tijdens het Nederlandse lidmaatschap van de VN-Veiligheidsraad. En het is zeker niet de enige kwestie die turbulentie veroorzaakte. De 66-jarige veteraan - oud-ambassadeur in Bangkok en Bonn, oud-topman op Buitenlandse Zaken en door veel diplomaten bewierookt "als het beste dat Nederland in huis heeft" - maakte zijn naam als eigenzinnig denker met scherpe tong waar. In New York won hij het respect van collega-ambassadeurs als de Amerikaan Holbrooke en de Rus Lavrov, in Den Haag kwam hij in botsing met Tweede- Kamerleden en ministers. Tweede-Kamerleden verweten hem , ,onvoorstelbare moedeloosheid" toen hij de crisis in Oost-Timor probeerde op te lossen, en versleten hem voor gek toen hij voorstelde een bataljon mariniers naar Sierra Leone te sturen, onder meer om Nederland te verlossen van zijn 'Srebrenica-syndroom'. "Tussen mij en de Tweede Kamer is het nooit meer goed gekomen", grijnst Van Walsum, die diplomatieke ervaringen en persoonlijke opvattingen heeft opgetekend in het recent verschenen boek 'Verder met Nederland'.

Waarom wilt u nu ineens wel praten over de mislukte campagne voor Pronk?

"Ik heb tot nu toe gezwegen in overeenstemming met de uit Den Haag ontvangen aanwijzingen. Maar ik voel een behoefte om het op te nemen voor de ambtenaren. Het heeft mij in hoge mate geërgerd dat de media de Nederlandse diplomatie hardhorendheid hebben verweten, namelijk dat men in Den Haag niets van de bezwaren tegen Pronk wist, en dat achteraf niemand dat beeld gecorrigeerd heeft."

Heeft u dan als diplomatieke spits van Nederland bij de VN niet gefaald?

"Nee! In de eerste week van augustus vorig jaar kregen wij op de missie uit Den Haag de opdracht VN-secretaris-generaal Kofi Annan te laten weten dat Pronk beschikbaar was voor de opvolging van Ogata als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen bij de VN. Verder werd van ons geen actie verwacht: geen campagne of lobby, zelfs geen ruchtbaarheid en geen codeverkeer met Den Haag. Wij in New York gingen er vanuit dat de geheimzinnigheid vooral te maken had met de gevoeligheid van het eventuele vertrek van een minister halverwege een kabinetsperiode. In de daaropvolgende weken heb ik een paar keer aan de leiding van Buitenlandse Zaken gesuggereerd een einde te maken aan deze geheimzinnigheid. Je kunt beter gewoon zeggen dat hier een Nederlandse kandidaat is. Want op een bepaald moment gaan er lijsten met namen circuleren, die een eigen leven gaan leiden, en daar staat-ie dan niet op. Maar nadere instructies bleven uit. Ik heb premier Kok begin september tijdens de Millennium Top om bevestiging gevraagd of onze afzijdigheid inderdaad de bedoeling was. Dat bevestigde hij."

Waar zijn de fouten gemaakt?

"Op 19 september bereikte ons in New York via een hoge Japanse ambtenaar het bericht dat men in Tokio van mening was dat Nederland zeker aan de beurt was voor de UNHCR-post, maar dat Japan Pronk niet kon steunen. Waarom was niet duidelijk. Van Japanse zijde vroeg men of Nederland niemand anders beschikbaar had. Ik heb dit onmiddellijk telefonisch doorgegeven aan minister Van Aartsen en zes dagen later tijdens diens bezoek aan New York ook aan Pronk zelf. Van Aartsen gaf toen geen opdracht tot een actieve rol. En Pronk bleek er niet erg van onder de indruk. Volgens hem waren zijn betrekkingen met Japan juist erg goed."

U bent dus toch niet helemaal afzijdig gebleven?

"Het Japanse verzoek om een andere Nederlandse kandidaat bleef mij zorgen baren, maar toen ik er later weer over begon, kreeg ik onder anderen van Pronk te horen dat Kok een bericht van zijn Japanse collega had ontvangen waarin deze verklaarde dat Japan geen bezwaar had tegen Pronk. Het heeft mij verbaasd dat Kok, Van Aartsen en Pronk dit bericht van premier Mori als het verlossende woord hebben beschouwd. Ik vind het nogal dom om zoiets voor zoete koek aan te nemen. Wij ambtenaren zouden daar anders op gereageerd hebben. Er zijn in de wereld niet veel premiers - laat staan Japanse - die de premier van een bevriend land openlijk zullen zeggen dat zij bezwaren hebben tegen een minister uit diens kabinet."

U heeft zich er niet van vergewist bij de Japanse VN-ambassadeur wat Japan dacht?

Hij bromt bevestigend: "Mmmm."

Nederland heeft daarmee het diplomatieke handwerk versloft.

Fel: "Ik moest er toch buiten blijven! De politiek zou dit aanpakken. Ik dacht: hier ga ik zelf niet in roeren. Ik ga niet op eigen houtje bevestiging zoeken van de Japanse tijding, als Kok, Van Aartsen en Pronk niks met dat bericht doen."

Van wie hoorde u dat Lubbers het was geworden?

"Van Annan, op 20 oktober. Het was voor mij duidelijk dat het te maken had met bezwaren van donoren. Maar wie bij hem de naam van Lubbers heeft aangedragen, weet ik niet."

Denkt u dat de Japanse afwijzing van Pronk een rol heeft gespeeld bij de keuze van Annan voor Lubbers?

"Vanzelfsprekend. Japan is een van de grootste donoren. Ik weet door mijn contacten met mijn Amerikaanse collega Holbrooke zeker dat Pronk de baan niet is misgelopen door de Verenigde Staten."

Was Pronk nu zoveel minder dan Lubbers?

"Dat geloof ik zeker niet. Maar je moet gewoon erkennen dat een oud- premier meer gewicht heeft dan een oud-minister van Ontwikkelingssamenwerking. En hij zal dan ook wat meer effect hebben als het gaat om het werven van fondsen."

Hoe amateuristisch was dit optreden van Nederland?

"Totaal! De politici dachten dat ze het zonder de diplomaten konden. Het is een blunder dat ze onze waarschuwing niet serieus hebben genomen en geloofden dat ze het aan het fiksen waren. En nog erger is dat ze daarna de media ons de schuld laten geven." Meer wil Van Walsum niet kwijt.

Uw benoeming speciaal voor het tweejarig lidmaatschap van de Veiligheidsraad was ook opzienbarend. Minister Van Aartsen plaatste de zittende VN-ambassadeur, Jaap Ramaker, over naar Wenen. Een degradatie voor Ramaker die gerekend wordt tot de top vijf van ontwapeningsdeskundigen in de wereld.

"Ik vond dit heel vervelend tegenover Ramaker. Van Aartsen was vastbesloten hem te vervangen door een van de meest seniore ambassadeurs. De vraag was niet: ik of Ramaker, maar ik of iemand anders. Ik had concurrentie van een onbekende en zag niet in waarom ik daarvoor zou moeten wijken. Maar ik wil vooral geen mooiere rol spelen dan ik gespeeld heb: ik had vreselijk veel zin in deze baan."

Duidt deze ingreep niet op een overspannen gevoel van Nederland dat een andere ambassadeur het beter zou doen? Er werden meer nieuwe mensen ingevlogen.

"Er was een beetje neurotisch gevoel in Nederland. Men leek wel een soort Holland-show te verwachten. Ik wilde zelf meer een zakelijke aanpak."

Was deze ingreep van Van Aartsen nodig?

"Nee. Ramaker zou het heel goed gedaan hebben. Ik heb wel eens woorden gebruikt, die ondiplomatiek werden gevonden. Dat zou hij vast niet hebben gedaan. Ik schilder wel eens een gechargeerd beeld, omdat ik dan beter doordring."

Wat zijn de wereld en Nederland wijzer geworden van de Nederlandse bijdrage in de Veiligheidsraad?

"Wij hebben behoorlijk bijgedragen tot de openheid van de Veiligheidsraad. Het idee dat de raad in beginsel achter gesloten deuren consultaties houdt, en slechts nu en dan een open vergadering houdt om het publiek vrolijk te stemmen, is veranderd. Dat is een duidelijk verschil met twee jaar geleden. Door een betrekkelijk geprononceerde rol te spelen als lid van de Veiligheidsraad zorg je ervoor dat je land op de kaart blijft en dat je gehoord wordt in internationale zaken."

Wat heeft u geleerd?

"Ik heb een andere kijk ontwikkeld op wat Nederland kan doen. Namelijk meer dan ik dacht. Nederland heeft voldoende gewicht, niet om dingen alleen voor elkaar te krijgen, maar wel om op allerlei gebieden als eerste schaap over de dam te fungeren."

Nederland gidsland? Je hoort het tandenknarsen van Tweede-Kamerleden al.

"Nou en! Dat spijt me dan. Ik ben zelf erg vóór gidsland."

Naïeve Van Walsum, hoor je mensen nu denken.

"Nee, dat is onzin. Ik vind het juist eerder realisme. Ontzettend veel dingen gebeuren niet omdat niemand bereid is zijn nek uit te steken en bepaalde risico's te lopen. En die risico's zijn helemaal niet zo groot. Neem nou de mariniers voor Sierra Leone. Sinds ik dat heb voorgesteld, is er niet één lid van de VN-vredesmacht gesneuveld of gewond geraakt."

Een van uw hoogtepunten was de aanpak van de crisis in Oost-Timor in 1999. U stuurde daar als voorzitter van de Veiligheidsraad een ambassadeursmissie naartoe, organiseerde een openbaar debat in de raad en onder meer die druk op Indonesië leidde ertoe dat Jakarta akkoord ging met een vredesmacht. U opereerde behoedzaam, maar kreeg kritiek van de Kamer dat u te passief was. D66 verweet u 'onvoorstelbare moedeloosheid'.

"Ik vond dat allemaal uitermate onbenullig. Wat mij zo ergert aan de Tweede Kamer is dat eentonige gegons van verontwaardiging waar iedereen aan meedoet. Misschien heeft het te maken met het feit dat ze allemaal zo staan te dringen om te scoren, om als eerste de microfoon te bereiken en dan even een standpunt weer te geven. Waarom is er nou niemand die in zo'n situatie zegt: hé, maar wacht eens even, wat zou Van Walsum aan het doen zijn? Iedereen moest toch begrijpen dat het op dat moment er alleen maar om ging Indonesië om te turnen. "

Dat gaf de Kamer later ook toe, en sprak toen van een 'prestatie van formaat'.

"Ik heb daar zo weinig respect voor overgehouden. Eerst die kuddematige verontwaardiging, en daarna dat kuddematige enthousiasme. Zelfs dat enthousiasme was niet terecht. Ik deed allemaal voor de hand liggende dingen. Het enige waar mijn Australische collega nog altijd over staat te juichen, is dat ik het openbare debat, terwijl de missie nog op pad was, toch heb doorgedrukt, tegen het advies van de hele missie in. Ik heb me niets van de Kamer aangetrokken, en zelfs niet van de Veiligheidsraad, want die was in meerderheid tegen zo'n debat. Dat is mijn enige heldendaad, als je het al zo wilt noemen."

U had gezegd dat u geen emotionele dingen ging roepen voor de camera om uitsluitend de Kamer te behagen.

Licht honend: "Ja, en toen deelde Hoekema van D66 mij in New York mee: 'Namens alle fracties, misschien met uitzondering van de VVD, vertel ik je: dit kan echt niet!' Later hoorde ik dat hij voor deze terechtwijzing niet eens een mandaat van zijn eigen fractie had."

Toen u aantrad heeft u gewaarschuwd dat de Veiligheidsraad de politieagent van de VN is, en dat in de Nederlandse opstelling niet alleen maar de nadruk kan liggen op preventieve diplomatie en wederopbouw.

"Toen ik die opmerking had gemaakt, zeiden mensen tegen mij: onze expertise ligt nu eenmaal in preventie en wederopbouw. Ja, sorry hoor, maar dan moet je niet in de Veiligheidsraad gaan zitten. Ik heb de hele tijd het gevoel gehad dat mijn waarschuwing is uitgekomen. Nederland voelt zich alleen maar thuis in de preventieve en wederopbouwsfeer, de ontwikkelingssamenwerking. Alles wat daartussen zit, doen we liever niet."

U stelde vorig jaar in een uitgelekt telegram voor om een bataljon mariniers naar Sierra Leone te sturen om onder meer verlost te worden van het 'Srebrenica-syndroom'. Toen kreeg u kritiek van Kok, Van Aartsen en de Kamer.

"Ja, dat vond ik niet leuk. Ik heb geen problemen met Van Aartsen gehad, maar hier ben ik niet gelukkig over. Hij heeft zo ontzettend gemakkelijk gezegd dat hij zich distantieerde van het Srebrenica-syndroom en dat wij geen behoefte hebben aan therapie. Mijn idee was te zorgen dat de hoofdstad Freetown en het vliegveld Lungi niet opnieuw in handen kwamen van rebellen. Nederland heeft voldoende gewicht om processen op gang te brengen en groepen landen over een streep te trekken, mits er wat politieke moed getoond wordt. De Britten hadden vlak voor mijn voorstel ingegrepen in een chaotische situatie zonder een man te verliezen. Onze militairen waren ervan overtuigd dat een bataljon Nederlandse mariniers dit ook had kunnen doen. Het is onzin om te zeggen: wij hebben niets te betekenen."

Wie verwijt u gebrek aan leiderschap. Kok? Van Aartsen?

"Mensen die hun mond zo vol hebben over Afrika-beleid, moeten meer doen. Kok ook. Hij heeft onlangs nog een speech over Afrika gehouden. Van Aartsen en minister Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) hebben bij de start van ons lidmaatschap van de Veiligheidsraad een brief naar de Kamer gestuurd waarin Afrika een hoogtepunt wordt genoemd. In de Afrika-notitie van Van Aartsen en Herfkens staat dat vrede en veiligheid in Afrika ook een Nederlands belang is. Ik heb in het licht van al het gewauwel over Afrika-beleid een serieus voorstel gedaan, iedereen - ook op het ministerie - duikt op dat vreselijke woord Srebrenica-syndroom en die onbehoorlijke Van Walsum, en is dan blij dat de minister er in de Kamercommissie zonder kleerscheuren van afkomt. Ik was verbijsterd. Het was voor mij een absoluut dieptepunt van die twee jaar. Een afgang. Niemand zei iets over mijn voorstel, en nog minder over de achterliggende gedachte dat het dringend noodzakelijk is dat we een eind maken aan die waanzinnige toestand dat de vredesoperaties geheel in handen zijn van ontwikkelingslanden."

U heeft begrip voor het Afrikaanse verwijt dat interventies en vredesoperaties zoals in Kosovo en Oost-Timor daar niet mogelijk zijn.

"Wat ik bijna racistisch vind, is het idee: Afrika is zo'n rotzooi, daar kunnen we maar beter ver van blijven, of: wij hebben ook eeuwenlang oorlog gevoerd, laat de Afrikanen dat ook maar doen. De Afrikanen hebben deels gelijk met hun kritiek dat ze verwaarloosd worden."

In uw boek schrijft u dat het u begon te dagen dat Den Haag Afrika had afgeschreven.

"Ja, dat gevoel had ik heel sterk. De meeste mensen in Den Haag zeggen schijnheilig: Afrika is belangrijk, we moeten wat doen voor Afrika, maar ik geloof er geen bal van."

U vindt het Afrika-beleid van Nederland een blamage volgens uw boek.

"De blamage is dat ik heb geprobeerd dat beleid te ontdekken, en dat me dat niet is gelukt. Als je Den Haag zou vragen: wat is nou precies dat Afrika-beleid, dan ben ik bang dat er behalve algemeenheden geen duidelijk verhaal uit voortkomt. We geven niet thuis als we kunnen meehelpen militaire situaties op te lossen, we zijn wel bereid geld te pompen in de bodemloze put van de ontwikkelingshulp."

U heeft gezegd dat u het af en toe 'gênant' gevonden heeft om voor Nederland in de Veiligheidsraad te zitten.

"Ik vind het gênant als je in de Veiligheidsraad verantwoordelijkheid neemt voor vredesoperaties en alleen maar Derde- Wereldlanden die laat uitvoeren."

Hoe vaak heeft u nee moeten zeggen bij een verzoek om deelname aan een operatie?

Grijnzend: "We hebben nooit ja gezegd! Het aantal vredesoperaties is heel gering. Maar binnen die vredesoperaties krijg je aan de lopende band verzoeken: voor waarnemers of voor materieel. Dat gaat om tientallen verzoeken. Neem de operatie MONUC in Congo. Men vraagt of Nederland bereid is om de Marokkanen te helpen aan materieel. Nee! Kan Nederland wat waarnemers sturen? Nee! En zo gaat dat maar door. Toen mijn voorstel voor Sierra Leone werd afgewezen, dacht ik: potverdomme, iedereen maakt zich druk over de onbehoorlijkheid van mijn opmerking, terwijl ik probeer te voorkomen dat er nog een keer zoveel honderd kinderhandjes worden afgehakt in Freetown. Om razend van te worden."

U was niet erg enthousiast toen Nederland een paar maanden later besloot wel mee te doen aan de vredesmissie van UNMEE in Ethiopië en Eritrea.

Zuinige blik: "Nou, ik ben er enthousiast over dat we weer wat doen. Maar het is geen operatie die ik bedoeld had. Het heeft geen effect in het over de streep trekken van de Westelijke landen ten aanzien van sub-Sahara-Afrika. Om de doodeenvoudige reden dat men in de rij staat om naar Ethiopië-Eritrea te gaan. Want dat is niet gevaarlijk."

Nederland, nog maar half genezen [van het syndroom], blies alweer hoog van de toren bij de voorbereiding van de operatie, schrijft u in uw boek.

"Als je zegt: we komen dit eventjes doen, en geen seconde langer dan zes maanden, dan wek je die indruk, ja. We blijven niet langer dan zes maanden, maar we willen wel de troepencommandant leveren en we willen wel in de centrale sector zitten."

U stond in het VN-hoofdkantoor met minister van Defensie De Grave in de lift op weg naar VN-chef Kofi Annan om over UNMEE te praten toen u opmerkte dat de VN zich zorgen maakten over de beperkte verblijfsduur van zes maanden, waarop De Grave uitriep: 'Zet de lift maar stil!'

Hij schatert en imiteert een opgewonden De Grave: "'Ik ga weer naar huis! Ik ga weer naar huis! Ik ga niet eens naar boven!' Ik vond het heel gênant dat Nederland deed alsof we hier de VN een gigantische dienst bewezen. Terwijl we voornamelijk bezig zijn ons eigen syndroom te overwinnen."

U vindt dat Nederland zich vijf jaar na Srebrenica nog steeds als een patiënt heeft laten behandelen door de VN bij deze vredesmissie.

"Absoluut. Het is toch te gek om los te lopen dat de mensen van de VN- afdeling vredeshandhaving bij wijze van spreken op hun tenen om al die onredelijke Nederlanders heen lopen. Zo van: de Nederlanders moeten eerst eventjes weer meedoen, dan kunnen we ze weer als normale mensen gaan behandelen. Dat vind ik patiëntachtig."

U heeft niet altijd gelijk gekregen als VN-ambassadeur. Stelt u zich geen vragen bij uw stijl: is de definitie van diplomatie bedrijven niet je effectiviteit vergroten?

Zacht pratend: "Daar heeft u helemaal gelijk in. Dat is dus niet goed van mij. Ik heb voorstellen gedaan waar ik niet eens een reactie op heb gekregen. Maar er is iets voor te zeggen om de zaken duidelijk te stellen en dan maar te zien dat het niet lukt. Neem mijn Sierra- Leonevoorstel. Ik heb geen gelijk gekregen en ik ben niet gelukkig met de missie naar Ethiopië en Eritrea, maar ik heb toch iets in beweging gezet."

U bent in die twee jaar niet vermalen tussen de VN-ambassadeurs van de grote landen, zoals de Amerikaan Holbrooke en de Rus Lavrov, die onderling verdeeld zijn?

"De positie van een niet-permanent lid is er alleen maar bij gebaat dat de permanente leden het niet met elkaar eens zijn. Ik heb als voorzitter van het sanctiecomité voor Irak vrij aardig kunnen opereren omdat er geen eenheid is. Het was het zwaarste van mijn hele werk. Bijna elke vergadering kom je moe vandaan, omdat alles wat je doet controversieel is. Het fascinerende is dat je met totaal verschillende standpunten geconfronteerd wordt. En de emoties lopen hoog op."

Holbrooke heeft u nooit het gevoel gegeven dat u maar een Nederlander was?

"Ik heb één keer een beetje ruzie gehad met Holbrooke in Afrika. We kwamen aan op het vliegveld in Kinshasa met een missie van de Veiligheidsraad. Ik wilde uitstappen, toen een vent van Sabena riep: 'Nee, u moet wachten, eerst moet de ambassadeur uitstappen.' Holbrooke dus. Hij ging al over de voortrap naar buiten, terwijl de andere ambassadeurs nog op de achtertrap moesten wachten. Holbrooke werd ontvangen door de minister van Buitenlandse Zaken en direct mee naar binnengeloodst, terwijl wij daar nog stonden. Toen heb ik tegen Holbrooke gezegd: 'Luister eens, Dick, wil je er even aan denken dat we allemaal gelijkwaardig zijn en dat het niet kan dat jij naar binnengaat en ik moeite heb om binnen te komen!' Toen zei hij, typisch Holbrooke, kribbig: 'Ach Peter, hou toch op, volgende keer zal ik je koffer dragen.' Vervolgens realiseerde hij zich dat ik gelijk had en is hij inderdaad bijna mijn koffer gaan dragen. Ik heb het juist met Holbrooke heel goed kunnen vinden. Maar al doen de permanente leden nog zo beleefd tegen je, je moet beseffen dat je als Nederlander aanzienlijk minder belangrijk bent dan zij."

NRC Webpagina's
10 FEBRUARI 2001

Archief
Zaterdags Bijvoegsel


    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad