|
R A D I O & T E L E V I S I E
|
![]()
NIEUWSSELECTIE
S e l e c t i e
Televisie
|
T V V O O R A F :
Een bekoorlijke Reve in de Vondelkerk
ANTOINE BODAR Gerard Reve wordt vijfenzeventig jaar. En zoals wanneer een bekend persoon gestorven is, trekken tal van gesprekken met de beroemdheid aan het televisie-oog voorbij. Dood is Reve nog niet en hij komt mij als sterk voor. Ik verwacht dus dat met zijn tachtigste verjaardag het gehele mediacircus zich herhaalt. Ondanks vordering van democratisch denken blijft het vreemd verdeeld in de wereld. Wie de dood als verlossing vermoedt en zijn omhelzing als ultieme overgave, krijgt meesttijds een lang leven toebedeeld. Is het niet beter dood te zijn, vraagt Schopenhauer zich af en Reve met hem en ik met Reve en Schopenhauer. En wie heeft Schopenhauer nagezegd? De troost in het ondermaanse tranendal blijft dat nieuws onder de zon zich nimmer voordoet. Nog vóór ik tot zelfstandig denken in staat bleek, had ik dat al van Reve geleerd. Wachtend op dodelijke vertroosting herzie ik de huldiging van Gerard (Kornelis van het) Reve wegens de hem geschonken P.C. Hooftprijs 1968 in de Amsterdamse kerk aan het Vondelpark, toen - dertig jaar geleden - nog toegewijd aan het Allerheiligste Hart van Jezus. Het programma vervult mij met weemoed waarmee ik geenszins wil zeggen ooit naar die beroerde jaren zestig terug te verlangen. Het is in Nederland immers de tijd waarin vooruitgang definitief werd verward met voortgang, de katholieke Kerk haar mysterie prijsgaf en verwerd tot praatlokaal en vermeend vooruitstrevenden zich de nieuwe generatiekloof hakten. Niet alleen in de Mater Ecclesia maar ook in de Alma Mater. De universiteit volgde in dezen de Moederkerk en zij is evenmin tot heden de oude geworden. Met weemoed kijk ik naar de beelden van het kerkgebouw, toen nog het gave godshuis met heiligen en staties, het hoofdaltaar eerbiedig ontruimd, het tabernakel open gezet ten teken van des Heren afwezigheid onder de gedaante van brood. Mij heeft toen de aanwending van het gebouw voor de jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde niet gestoord. Geschokt was ik niettemin wel, maar door iets ogenschijnlijks onschuldigs. Als een van de eersten in de kerk werd ik met stomheid geslagen toen Renate Rubinstein, ook vroeg gekomen, een sigaret opstak. En haar volgden naderhand velen. Blauw van de rook stond toen de kerk spoedig. Niet van wierook, zo voeg ik voor duidelijkheid toe, alleen van sigaretten. Die vaderlandse lompheid en dat gebrek aan wellevendheid, alsof men ten paleize ook zo maar rookt, terwijl het daar slechts de aardse koning en niet de hemelse Koning aangaat, treffen mij ook nu bij herziening. Met weemoed bekijk ik het programma. Het is het beste wat televisie kan geven. De uitreiking van de staatsprijs op het Muiderslot was reeds een feest geweest, maar dit gebeuren in de Vondelkerk zou eerst recht een gebeurtenis worden. Elke andere genodigde moet dat ook meteen hebben beseft. Het programma, rechtstreeks uitgezonden, heeft begin, midden en einde, kortom kop en staart. Het is eenvoudig van opzet, altijd al kenmerk van kwaliteit. Het kent spanning en ontspanning, ernst en vermaak, plechtstatigheid en amusement. Eerst ontvouwt de schrijver zijn denkbeelden in gesprek met Hans Keller, terwijl ter afwisseling optreden de zanger, de goochelaar, de jongleur, de Zangeres zonder Naam - toen reeds een beroemdheid, zij het niet bij VPRO-kijkers. Nadien beantwoordt de schrijver klemmende vragen uit het publiek onder leiding van professor H.A. Gomperts. Ten slotte dankt de schrijver voor de huldiging en verlaat door het middenpad, zoals hij was gekomen, de kerk, nu achter de fanfare aan samen met de stille toegenegen Willem van Albada. Waarom deze uitzending vanuit de Vondelkerk? Desgevraagd had Reve te kennen gegeven te zoeken naar een theater dat een theater is, een schouwburg en een circus, dat de divina commedia is, dat de eeuwige schouwburg, de eeuwige komedie is, een Rooms-Katholieke kerk. Wat maakt Reve in het televisieprogramma innemend? Zijn bekoorlijkheid en eerlijkheid, zijn relativering en ironie, zijn welbespraaktheid en dagelijksheid van zeggen. Dit alles samen ondersteunt en verpakt zijn deels uit het hoofd geleerde, deels in spontaniteit geuite geloofsbelijdenis. Na dertig jaar blijkt Reve zich steeds trouw gebleven. Hij zegt daar wat hij steeds zegt. Hij herhaalt zich daar reeds. Want wie zou hij anders herhalen. ,,Een kunstenaar, die iets nieuws verkondigt, bestaat niet. Dat is geen kunstenaar.'' De romantisch-decadente schrijver Gerard Reve bezingt de liefde en de dood - de ontoereikendheid van de liefde en de troost van de dood, de dubbelzinnigheid van het leven en de algehele afhankelijkheid van de van Godswegen geschonken genade. De nazit in het bovenhuis aan de Plantage Kerklaan herinner ik mij als eufoor. Geert van Oorschot in fluwelen jas met strik gezeten op een brits. Hanny Michaelis, Teigetje. Gerard Reve, nog ontdaan van eigen slotoptreden. Mooie jongens, Kunstbroeders. Wijn zoals gebruikelijk. Tevredenheid en vrolijkheid.
Weerzien op 3: Huldiging van Gerard Reve. Ned.3, 0.35-02.07u.
|
NRC Webpagina's
12 DECEMBER 1998
|
| Bovenkant pagina |