U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
     
NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 

 DOSSIER ZAÏRE

 INTRODUCTIE

 ACTUEEL

 NIEUWSOVERZICHT

 MOBUTU

 TIJDBALK

 GESCHIEDENIS & ACHTERGRONDEN

 KAARTEN

 FOTO'S

 LINKS

Mobutu


Mobutu, de maarschalk die de Koude Oorlog overleefde; Lef en listenvan een luipaard
Door Dirk Vlasblom
President Mobutu Sese Seko van Zaïre ontvluchtte gisteren de hoofdstad Kinshasa met bestemming Gbadolite, het dorp van zijn vader. Hij droeg de ,,volledige regeringsmacht'' over aan generaal Likulia Bolongo, zijn laatste premier. In de bijna 37 jaar nadat de jonge kolonel zijn eerste staatsgreep pleegde, zwaaide 'de luipaard uit de Evenaarsprovincie' de scepter over Kongo-Zaïre, het grootste en rijkste land van Midden-Afrika.

Het is donderdag 10 april 1997. Generaal Likulia Bolongo, zojuist benoemd tot eerste minister van Zaïre, maakt zijn opwachting bij president Mobutu. Als zijn limousine met militair escorte stopt voor het presidentiële buiten met uitzicht over de rivier de Zaïre, brengt de lijfwacht bij de ingang een stram saluut. De generaal, in vol ornaat, knikt terug en betreedt de villa. Een militaire hoornblazer meldt het middaguur. High noon in Kinshasa: de cirkel sluit zich rond de oude maarschalk binnen.

De jonge, dynamische kolonel Mobutu die in 1960 voor het eerst de macht greep om de voormalige Belgische Kongo te behoeden voor desintegratie en Sovjet-expansionisme, is intussen 37 jaar ouder, verzwakt door prostaatkanker en in het nauw gedreven door vanuit het oosten oprukkende rebellen. Hij heeft de burgerpolitici voor de laatste maal de laan uitgestuurd en zijn lot in handen gelegd van loyale militairen uit zijn geboortestreek.

Op dat moment laten zijn beschermheren van weleer hem definitief vallen. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken, Erik Derycke, meent dat het rad der geschiedenis zijn omwenteling heeft voltooid. Die donderdag doet hij de benoeming van generaal Bolongo af als ,,een terugkeer naar de militaire dictatuur''. ,,Mobutu'', aldus Derycke, ,,is met deze staatsgreep weer op het punt waar hij in 1965 is begonnen.'' Intussen luidt Washington de doodsklok voor Zaïres president. Mike McCurry, woordvoerder van het Witte Huis, noemt Mobutu ,,een schepsel der historie''.

De geschiedenis laat echter niet met zich spotten. België mag Mobutu's laatste staatsgreep dan veroordeeld hebben, de coup die hem aan de macht bracht werd in Brussel luidkeels toegejuicht. En door hem tot verleden tijd te verklaren kunnen de Amerikanen zich niet afmaken van hun peetvaderschap over het 'schepsel' Mobutu.

Wie is deze bebrilde, rijzige man met zijn luipaardmuts? Onder welk gesternte werd deze sergeant buiten dienst van het Belgische koloniale leger het langst regerende staatshoofd van Afrika bezuiden de Sahara?

Mobutu werd geboren op 14 oktober 1930 in Lisala, een stadje aan de Zaïre in de noordwestelijke Evenaarsprovincie. Zijn vader, Albéric Gbemani, een Ngbandi uit het grensgebied met de Centraal-Afrikaanse Republiek, was er kok bij de substituut-officier van justitie, een zekere Delcourt. Albéric was de derde echtgenoot van Mobutu's moeder, Marie-Madeleine Yemo. Ze noemden hun zoon Joseph-Désiré ('Jef') Mobutu, naar zijn oom, de krijger-toverdokter Mobutu Seko Kuku. Delcourt werd meermalen overgeplaatst, eerst naar Coquilhatstad (nu Mbandaka), vervolgens naar Leopoldstad (het huidige Kinshasa), en het gezin van de kok verhuisde mee. Mobutu's biografen hebben zijn nederige afkomst stevig in de verf gezet, als om hem in te peperen dat de eretitels die hij later zou gaan voeren - Opperste Gids, Opperhoofd - niet waren ontleend aan het gezag der vaderen. Erg belangrijk lijkt dat niet. De Zaïrese historicus Z.A. Etambala schrijft met recht: ,,Het is de verdienste van (Mobutu en) zijn generatie dat zij het verder wilden schoppen dan knechts.''

Toen de kleine Jef acht jaar oud was, stierf zijn vader. Getrouw aan de Ngbandi-traditie vestigde moeder zich bij de clan van haar man in Gbadolite, een dorpje in het noorden van de Evenaarsprovincie. Daar bracht de jonge Mobutu zijn resterende kinderjaren door. Net als president Houphouët-Boigny van Ivoorkust, die van zijn geboortedorp Yamoussoukro een tweede hoofdstad maakte, verhief Mobutu, eenmaal president, het bosgehucht Gbadolite tot tweede residentie, compleet met een internationaal vliegveld voor gasten uit het buitenland. Volgens de legende zou de kleine Mobutu in Gbadolite een luipaard hebben gedood met een lans. Later zou hij dit katachtige roofdier als zijn persoonlijke totem gaan beschouwen, gesymboliseerd door zijn onafscheidelijke muts van luipaardvel.

Mobutu's etnische achtergrond was in zijn voordeel. De Ngbandi zijn aanzienlijk minder talrijk dan de Bakongo van Beneden-Zaïre en de Baluba en Balunda van het zuiden, die in de prekoloniale tijd krachtige koninkrijken kenden. Door de staatsvorming in Afrika - er waren posten te vergeven in de nieuwe ambtelijke, politieke en militaire hiërarchieën - kregen de etnische getalsverhoudingen extra gewicht. Grotere volken, zoals de Bakongo en Baluba, vormden politieke partijen op etnische grondslag. Leiders als Lumumba (een Mutetela) en Mobutu, die voortkwamen uit kleinere volkeren, werden gezien als bewakers van het politieke evenwicht.

We schrijven 1959. Brussel was toen nog een bruisende stad, zong Jacques Brel. Jef Mobutu, een 29-jarige journalist uit de Belgische Kongo, kan ervan meepraten. Op voorspraak van het koloniale persbureau Inforcongo loopt hij stage in België. Vijf weken voor zijn vertrek, op 4 januari, is in Leopoldstad een volksopstand uitgebroken. Een bijeenkomst van de Abako, de politieke partij der Bakongo onder leiding van Joseph Kasavubu, werd op het laatste moment verboden. Duizenden Kongolezen plunderden winkels en staken kerken in brand. De Force Publique, het koloniale leger dat onder bevel stond van Belgische officieren, sloeg keihard terug. Er vielen doden - officieel 49, waarschijnlijk tweehonderd.

Eenmaal in Brussel sluit de jonge Mobutu, die de opstand had verslagen, zich aan bij de Mouvement National Congolais (MNC), die in 1958 was opgericht door Patrice Lumumba, postbeambte te Stanleystad (nu Kisangani). Mobutu raakt bevangen door een obsessie die hem niet meer zal loslaten: naam maken in een toekomstig, onafhankelijk Kongo. Tijdens een bezoek aan Brussel raakt Lumumba gecharmeerd van de schrandere Mobutu. Hij stelt hem aan als zijn permanente vertegenwoordiger in het moederland.

In Brussel verricht Mobutu hand- en spandiensten voor de Belgische veiligheidsdienst door op gezette tijden te rapporteren over het gedrag van Kongolese studenten. Later zal Lumumba dit verklikkersgedrag met de mantel der liefde bedekken: ,,De Belgen betaalden slecht, men moest zijn kinderen behoorlijk opvoeden en af en toe een briefje van honderd bracht het budget in evenwicht.'' Die vergevingsgezindheid zal Lumumba opbreken. In Brussel ontmoet Mobutu de Antwerps-Amerikaanse diamantair Maurice Tempelsman en Lawrence ('Larry') Devlin, destijds verbonden aan de Amerikaanse ambassade. Ze worden goede vrienden.

Dan breekt het noodlotsjaar 1960 aan. Op 13 januari kondigt koning Boudewijn de onafhankelijkheid van Kongo aan. Mobutu volgt in Brussel van dichtbij de rondetafelconferenties over de staatkundige en economische modaliteiten van de overdracht. Bij de verkiezingen van mei 1960, de enige die Kongo-Zaïre ooit heeft gekend, wordt Lumumba's MNC de grootste partij. Bij zijn terugkeer in Leopoldstad wordt Mobutu door Lumumba, inmiddels premier, tot zijn secretaris benoemd.

Enkele dagen na de uitroeping van de onafhankelijkheid op 30 juni slaan Kongolese soldaten aan het muiten. De enige strijdmacht van de jonge staat is de Force Publique. Het voltallige bevelvoerende kader is Belgisch gebleven en dat nemen de zwarte soldaten niet. De muiterij is aanleiding voor een massale uittocht van Belgische staatsburgers, een interventie van het Belgische leger en de afscheiding van de koperprovincie Katanga (onder Moïse Tshombe) en de diamantregio Zuid-Kasaï (onder Albert Kalonji). Jef Mobutu, sergeant buiten dienst van de Force Publique, wordt door Lumumba op 9 juli benoemd tot stafchef, met de rang van kolonel. Lumumba roept de hulp in van de Verenigde Naties tegen de ongevraagde interventie van België, dat bovendien de Katangese afscheiding steunt. De Belgen zetten in Katanga een militaire politiemacht op, de 'gendarmes'. De VN slikken aanvankelijk het Belgische verhaal dat de afscheiding een binnenlandse aangelegenheid van Katanga is. Dan roept de nationalist Lumumba de hulp in van Moskou en arriveren Sovjet-vliegtuigen en -technici. Kolonel Mobutu ontwerpt een operatie tegen de afscheiding van Kasaï en zijn manschappen worden met Sovjet-toestellen overgevlogen naar Bakwanga (nu Mbuji-Mayi). Daar richten ze een slachting aan onder de burgerbevolking, goeddeels etnische Baluba.

Hoewel stafchef Mobutu de verantwoordelijkheid draagt voor wat in een VN-rapport ,,een poging tot genocide'' wordt genoemd, geeft president Kasavubu zijn premier de schuld. Op 5 september zet het staatshoofd Lumumba af. Die ontslaat op zijn beurt Kasavubu. Beiden doen een beroep op Mobutu en die besluit - zoals hij later zal zeggen - ,,allebei te gehoorzamen''.

Op 14 september 1960 pleegt de kolonel zijn eerste staatsgreep. Die avond maakt hij bekend dat het leger besloten heeft het staatshoofd, de regering en de wetgevende kamers ,,voorlopig te neutraliseren''. Vanaf dat moment is Mobutu de sterke man van Kongo. Belangrijke spelers op de achtergrond zijn de Amerikaanse ambassadeur Clarence Timberlake en de chef van de CIA in Leopoldstad, Larry Devlin, een vriend van Mobutu. Feitelijk doelwit van de ingreep is Lumumba, die door de Amerikanen als een communist wordt beschouwd. President Kasavubu mag aanblijven, maar tegen Lumumba wordt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Hij wordt echter voor arrestatie behoed door VN-troepen die postvatten voor zijn ambtswoning.

Afzetting van de premier is de Amerikanen niet genoeg. De publiciste Madeleine Kalb schrijft in haar boek The Congo Cables dat Devlin op 26 september bezoek kreeg van een CIA-agent uit Parijs, een zekere Joe, die hem opdracht gaf Lumumba te vermoorden. Tegenover een Senaatscommissie verklaarde Devlin later dat hij geschokt was door die instructie. Hij had er zelf de voorkeur aan gegeven, zei hij, om 'Kongolezen' in te schakelen bij de eliminering van de ex-premier. En zo geschiedde.

Op 27 november 1960 weet Lumumba ongezien uit zijn huis te ontsnappen. Hij wil naar Stanleystad, waar zijn vice-premier Antoine Gizenga leiding geeft aan een tegenregering. Ambassadeur Timberlake stelt stafchef Mobutu een helikopter ter beschikking, waarmee een klopjacht op Lumumba wordt ingezet. Voordat hij Stanleystad kan bereiken wordt hij opgepakt door Mobutu-getrouwe militairen. Op 17 januari 1961 worden Lumumba en twee medestanders op het vliegtuig gezet naar Elisabethstad (nu Lubumbashi), de hoofdstad van het afgescheiden Katanga. Daar worden zij opgewacht door Godefroid Munongo, Katangees minister van Buitenlandse Zaken en een oude vijand van Lumumba. Op diens bevel stelt de Belgische politiecommissaris Verschuere een executiepeloton samen. Op 16 kilometer van Elisabethstad worden de drie tegen een boom gefusilleerd. Mobutu's verraad aan Patrice Lumumba, de man die aan de wieg stond van zijn carrière, is wellicht de meest dramatische wending in zijn leven. Zijn Zaïrese biograaf Z.A. Etambala memoreert hoe Mobutu al op 15 juli, na een inspectietocht naar de Evenaarsprovincie, waar hij oog in oog stond met de slachtoffers van de muiterij, opdracht gaf hem als lid van de MNC-Lumumba te laten schrappen. De Belgische journalist en Mobutu-kenner Walter Zinzen schrijft de ommekeer op het conto van de Amerikanen. Zij spanden zich in om Mobutu los te weken van Lumumba en wisten Kasavubu te bewegen de kolonel te bevorderen tot opperbevelhebber van het leger. Belangrijker nog: Devlin had hem gewaarschuwd dat aanhangers van Lumumba een aanslag op zijn leven beraamden. Dat kan de doorslag hebben gegeven: de afgezette premier en zijn entourage hadden het gemunt op hem, Mobutu, terwijl hij bezig was het land te redden van de chaos waarin de lumumbisten het hadden gestort.

In mei 1963 neemt Mobutu in de VS zijn beloning in ontvangst. Door zijn gastheer, de Amerikaanse stafchef generaal Wheeler, wordt hij opgenomen in het Legioen van Verdienste. In de begeleidende oorkonde heet het: ,,Door zijn land van buitenlandse communistische elementen te zuiveren, bewees hij zich als behoeder van de vrijheid en als vriend van alle vrije volkeren''.

De putsch van 14 september is slechts een vingeroefening. Nu Lumumba uit de weg is geruimd, is er weer ruimte voor een burgerregering, vindt Mobutu. Het kabinet van Cyrille Adula staat voor de taak Katanga en Kasaï terug te brengen in de Kongolese moederschoot. Als dat gelukt is, valt in 1964 het oosten, inclusief Stanleystad, opnieuw in handen van de lumumbisten. Pierre Mulele, ex-minister van Onderwijs onder Lumumba, ontketent een guerrilla in Kwilu, het achterland van Kinshasa. Mobutu's elitetroepen houden bruut huis onder de boerenbevolking van Kwilu, maar het regeringsleger moet Oost-Zaïre ontruimen. Om dat gebied te heroveren, heeft Mobutu, inmiddels bevorderd tot generaal-majoor, luchtsteun nodig en Kongo beschikt niet over piloten.

Daarop werft de CIA Cubaanse ballingen in Miami, die worden ingezet in Kongo. Het Pentagon levert T-28 gevechtsvliegtuigen, transporttoestellen, helikopters, plus reserve-onderdelen en 'technici' die er verstand van hebben. Mobutu tekent eigenhandig het contract met de Zuidafrikaanse huurlingenleider Mike Hoare. Uiteindelijk geeft een contingent Belgische paracommando's, gedropt door Amerikaanse transportvliegtuigen, de doorslag bij de herovering van Stanleystad.

In 1965 verandert president Kasavubu plotseling van koers. Op 12 oktober benoemt hij een nieuwe premier: Evariste Kimba, een Muluba uit Katanga die zegt te willen onderhandelen met de lumumbisten en pleit voor erkenning van de Volksrepubliek China. Tijdens een conferentie in de Ghanese hoofdstad Accra zoekt Kasavubu toenadering tot de revolutionaire staten van Afrika. Hij zegt de huurlingen naar huis te willen sturen ,,in het belang van de Afrikaanse waardigheid''. Larry Devlin, die in 1963 is teruggekeerd naar Washington, wordt opnieuw gestationeerd in Leopoldstad. In een interview met een Belgische krant zegt legerleider Mobutu: ,,Ziet u mij met de hakken klappen voor bandieten (Lumumba-aanhangers) die geprobeerd hebben mij te doden? Als men hen in een regering haalt, zal ik mijn verantwoordelijkheid nemen.'' In de nacht van 24 op 25 november 1965 zet Mobutu president Kasavubu af en benoemt hij zichzelf tot staatshoofd. Hij is het bijna 32 jaar gebleven.

Stond zijn eerste staatsgreep in het teken van de afrekening met Lumumba, na de coup van '65 maakte Mobutu korte metten met de politici die het etnische en regionale verdeel-en-heersspel van de Belgen hadden meegespeeld. Zij hadden er in Mobutu's ogen voor gezorgd dat het land uiteenviel en dat de ex-kolonisator heer en meester bleef over 's lands rijkste bodemschatten: de diamanten van Kasaï en het koper en kobalt van Katanga (Shaba).

Op tweede pinkersterdag 1966 laat Mobutu in Leopoldstad voor de ogen van het volk vier mannen ophangen op beschuldiging van samenzwering. Onder hen is de ex-premier en voormalig minister van het afgescheiden Katanga Evariste Kimba, een Muluba. Met zijn hoofd in de strop zou Kimba de Baluba hebben bezworen hem te wreken. Later heeft Mobutu bekend dat hij elke keer dat hij een glas leegdronk het gezicht van Kimba op de bodem zag. De Zaïrezen die het in de loop der jaren waagden Mobutu te trotseren waren altijd Baluba: mgr. Joseph Malula aan het begin van de jaren zeventig, oppositieleider Etienne Tshisekedi in de jaren tachtig en negentig, en, ten slotte, de rebel Laurent-Désiré Kabila.

Op 27 oktober 1971 werd Kongo omgedoopt tot de republiek Zaïre. Dat Leopoldstad, Elisabethstad, Boudewijnstad, Albertstad en Coquilhatstad Afrikaanse namen kregen, lag in de rede. Toch menen Mobutu's Belgische biografen hem wat de landsnaam betreft op een fout te betrappen. Zo schrijft de Brusselse advocaat Jules Chomé: ,,De naam Nkongo werd lang vóór de koloniale tijd gegeven aan de riviermonding en het volk dat er woonde. Het waren Portugese zeevaarders die de stroom en het achterland de naam Zaïre gaven. Dit is een verkeerde uitspraak van het woord nzadi, dat in het Kikongo 'rivier' betekent.'' Ook Walter Zinzen rept in dit verband van een 'flater'.

Dat is de vraag. Mobutu vond 'Kongo' een te exclusieve verwijzing naar één etnische groep, de Bakongo van Joseph Kasavubu. Het zwaartepunt van het historische Kongorijk lag bovendien in het huidige Noord-Angola. Zo bezien is het verbasterde Kikongowoord voor 'rivier' een meer nationale naam. Het stroomgebied van de Zaïre beslaat immers het grootste deel van het land. Het is ironisch dat rebellenleider Laurent-Désiré Kabila en zijn Alliantie van democratische krachten voor de bevrijding van Kongo-Zaïre in hun afkeer van het mobutisme het land en de rivier hun oude, uit de koloniale tijd daterende naam willen teruggeven.

Mobutu's antwoord op de politieke en etnische verdeeldheid van de jaren zestig is de eenpartijstaat en de eenmansdictatuur. Zijn 'nationale revolutie' wordt belichaamd door de Mouvement Populaire pour la Révolution (MPR), die het hele scala aan maatschappelijke en politieke organisaties opslokt. Van de Belgen geërfde arrangementen als de federale staat en de Trias Politica worden vervangen door centralisme en de onderschikking van alle openbare instellingen aan de Opperste Gids, Mobutu Sese Seko Kuku Ngbendu Waza Banga, zijn nieuwe, ditmaal zuiver Afrikaanse naam. Het parlement wordt bij een grondwetsherziening in 1974 gereduceerd tot een applausmachine voor presidentiële besluiten.

De ooit almachtige Union Minière du Haut Katanga (UMHK), een Belgische in de Kongolese staat, die de afscheiding van de koperprovincie van harte had gesteund, gaat ondanks fel verzet door onder het juk der 'kongolisering'. Ze verliest haar rechten op ontginning, verwerking en verkoop van de kostbare ertsen aan het eind 1966 opgerichte staatsbedrijf Gécomin.

Mobutu's revolutie wekt in die eerste jaren heel wat geestdrift. Belgische monopolies worden opgedoekt en ondernemingen uit ander buitenland investeren in Zaïre. Mobutu's appèl aan de 'forces vives' van het land - de dorpsgemeenschappen, de jeugd en de soldaten - is niet aan dovemansoren gericht: men grijpt schop en hak om de landbouwproduktie te verhogen. Deze golf van postkoloniaal enthousiasme wordt treffend verbeeld op het nieuwe biljet van 1 zaïre dat de Banque Nationale du Congo aan het eind van de jaren zestig laat drukken: een jonge Mobutu, die de mouwen van zijn legerhemd opstroopt.

Dan gaat het mis. Na de 'kongolisering' volgt de 'zaïrisatie'. De werkgeversverbonden worden in 1972, als laatste maatschappelijke organisaties, onder de MPR-paraplu gebracht en de economie moet in handen van Zaïrezen komen. Niet slagvaardig ondernemersschap geeft de doorslag, maar hondentrouw aan de Gids. De failliete boedel die rest na dit fiasco wordt overgenomen door de staat, maar ook die blijkt weinig ondernemend. De gezaïriseerde bedrijven mogen in 1976 terug naar de oude eigenaars, maar dan is het al te laat, schrijft Etambala: ,,het gouden kalf was verdronken''. Terwijl de Gids zich laat bewierroken, verdeelt hij de gouden eieren onder zijn familie en clientèle en zakt Zaïre langzaam weg in het sociaal-economische moeras. Met de inkomsten uit de diamant- en koperwinning, goeddeels verkregen uit smokkelpraktijken, financiert Mobutu zijn presidentiële garde, die hij bemant met streekgenoten. In 1995 kwamen 31 van de 62 Zaïrese generaals uit de Evenaarsprovincie.

Misschien uit grootheidswaan, misschien uit behoefte aan compensatie voor de binnenlandse malaise, na tien jaar aan de macht stort Mobutu zich in een buitenlands avontuur. In mei 1975 interveniëren zijn elitetroepen in de Angolese burgeroorlog, aan de zijde van Mobutu's vriend en zwager, de Mukongo Roberto Holden. Die droomde in de Portugese tijd over herstel van het historische Kongorijk en neemt na de onafhankelijkheid van Angola de wapens op tegen het linkse MPLA-bewind in Luanda. Het loopt uit op een bloedig fiasco, maar de MPLA zal Mobutu dit nooit vergeven en ook elders in Afrika verspeelt de Gids krediet. In 1977 en '78 volgt de revanche. Katangese gendarmes die zijn uitgeweken naar Angola, waar zij de MPLA zijn bijgesprongen tegen Holden, vallen Shaba binnen. België en Frankrijk ruiken een Sovjet-Cubaans complot, sturen paracommando's en redden aldus Mobutu's luipaardtroon.

In de jaren tachtig voltrekt zich in het voormalige moederland België een generatiewisseling. Jonge journalisten distantiëren zich van het dwangbewind in Zaïre en in 1988 treden de socialisten, die democratie en mensenrechten in hun vaandel voeren, toe tot de regering. Het koloniale kapitaal, geconcentreerd in de eerbiedwaardige Société Générale, gaat over in Franse handen. Rond 1990 kan Mobutu alleen nog rekenen op de steun van Parijs, dat Zaïre beschouwt als frontstaat van 'Françafrique', en een enkele collega in Afrika, zoals Togo's sterke man Eyadema.

Op 24 april 1990 maakt Mobutu, onder binnen- en buitenlandse druk, een theatrale volte-face: hij kondigt een 'overgang' aan naar een meerpartijendemocratie. Meer dan tweehonderd politieke formaties laten zich registreren. In afwachting van verkiezingen mag de oppositie de premier aanwijzen. Deze 'transitie' duurt zeven jaar, de premiers komen en gaan en de oppositie, verdeeld door strijdige regionale loyaliteiten en persoonlijke jaloezieën, laat zich door de listige luipaard uit elkaar spelen. Het eindspel is geen stembusslag, maar een gewapende opstand en de militarisering van het bewind. Mobutu's laatste premier is een generaal.

De slotakte wordt ingeluid door repressie van een etnische minderheid, een fatale fout. De gewelddadige verdrijving van de Banyamulenge, Zaïrese Tutsi's,in de grensstreek Kivu en een handreiking van Mobutu's leger aan Hutu-extremisten uit Rwanda doen de crisis in het kleine buurland overslaan naar het immense Zaïre. Er volgt een nieuwe schokgolf uit het oosten, ditmaal van gedisciplineerde Tutsi-soldaten uit de school van Yoweri Museveni (Oeganda) en Paul Kagame (Rwanda). In hun leider, Laurent-Désiré Kabila, een Muluba uit Shaba en een voormalige aanhanger van Patrice Lumumba, moet Mobutu de geesten hebben herkend die hem in boze dromen hebben bezocht. Een engel der wrake, die hem de rekening presenteert voor de massamoorden op de Baluba van Bakwanga, het verraad aan zijn politieke voogd Lumumba en de ophanging van Kimba.

De zieke maarschalk ziet gezichten op de bodem van het lege glas.

(NRC Handelsblad / Buitenland, 17 mei 1997)

NRC Webpagina's
16 mei 1997

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl) MEI 1997