U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
Klik hier
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

Profiel

Boeken

Cultureel Supplement

Wetenschap en Onderwijs

Zaterdags Bijvoegsel

Magazine

IBM wilde zo lang mogelijk zoveel mogelijk verdienen aan het Derde Rijk

Wie ponste de ponskaarten?

De ponskaarten van IBM hebben nazi-Duitsland zeker geholpen bij het registreren en vervolgen van de joden, blijkt uit een studie naar de rol van het Amerikaanse bedrijf voor en tijdens de oorlog. Maar rechtstreekse medeplichtigheid aan de holocaust is daarmee nog niet aangetoond.

David Barnouw

In het voorwoord van zijn met veel bombarie gepresenteerde studie IBM en de holocaust daagt Edwin Black de lezer uit door te stellen: ‘U zult dit boek met veel onbehagen lezen.' Die voorspelling wordt bewaarheid, maar niet op de manier waarop de auteur doelt.

Black wil, met enige slagen om de arm, aantonen dat ‘de machtigste onderneming van Amerika', International Business Machines (IBM), op gewetenloze, zelfs schofterige wijze haar ponskaartensysteem ten dienste heeft gesteld van de Duitse overheid om de vernietiging van de joden in geoliede banen te leiden. In bijna vierhonderd, vaak dramatisch getoonzette bladzijden laat de auteur zien dat het Amerikaanse bedrijf tot aan de oorlogsverklaring van de Verenigde Staten aan nazi-Duitsland in 1941 het zakendoen met Hitler-Duitsland beschouwde als ‘business as usual'. Tijdens en na de oorlog deed IBM zijn uiterste best de in Duitsland gemaakte winsten, die door de autoriteiten geblokkeerd waren, naar de aandeelhouders terug te brengen.

Kaartenbakken

Dat is op zichzelf niet onbekend. Met name in de DDR werden in de jaren zestig en zeventig doorwrochte studies gepubliceerd, waarin het malicieuze oorlogsgedrag van met name Amerikaanse bedrijven aan de kaak werd gesteld. Ook Black vermeldt dat begin 1942 zo'n vijfduizend bedrijven in de Verenigde Staten als verdacht van handelen met de vijand te boek werden gesteld. IBM stond ook onder die verdenking. Maar was dat wel een machtig bedrijf in die periode, laat staan ‘de machtigste onderneming'? Noch C. Wright Mills in zijn beroemde Power Elite (1956), noch G. William Domhoff in zijn Who Rules America? (1967) noemt IBM, terwijl deze schrijvers toch niet bekend staan als vrienden van het grootkapitaal.

IBM is in dit boek een bedrijf dat een technologierevolutie had ontketend door gebruik te maken van Hollerith-machines. Een veelvoud van informatie op elk gebied kon door middel van ponskaarten op korte termijn inzichtelijk worden gemaakt. Wat vroeger aan informatie op tienduizenden, zo niet honderdduizenden kaarten in kaartenbakken stond, en slechts op moeizame wijze beschikbaar was, kon nu met een druk op de knop uit de machine komen.

Informatie die op legitieme wijze is verkregen, kan op een snelle wijze bij ambtenaren en politici op tafel komen, tot algemeen nut. Een goede bevolkingsboekhouding is onder een vredige overheid een positief goed. Maar in tijden van oorlog onder een dictatoriaal regime, keert zo'n systeem zich tegen de burgers, zoals een schaar een nuttig instrument is, maar in de handen van een gek een moordwapen kan worden. Zijn de Hollerith-machines van IBM nu te beschouwen als moordmachines, die niet alleen joden registreerden, maar ook de treinen op tijd deden lopen en in de concentratie- en vernietigingskampen tussen leven en dood beslisten?

Het grootste deel van IBM en de Holocaust is een gedetailleerde beschrijving van een kapitalistische firma waar winstmaximalisatie centraal stond. IBM was bovendien een monopolist, die geen ponskaartmachines verkocht maar ze verhuurde, evenals de benodigde kennis om de machines te bedienen. Een firma die ook veel verdiende aan zijn monopolie om de kaarten te leveren die nodig waren om de Hollerith-machines te ‘voeden'.

Compensatie

Het bedrijf dreigde in de jaren dertig zijn zeggenschap over de Duitse dochteronderneming kwijt te raken en deed er alles aan om dat te voorkomen, hoewel de IBM-topman Thomas J. Watson niet bang was voor een confiscatie door de nazi's; daarvoor zou namelijk netjes compensatie gegeven worden. Het grootste probleem was, dat gemaakte winsten het land niet uit mochten, maar op geblokkeerde rekeningen in Duitsland bleven staan, net als de winsten van duizenden andere niet-Duitse ondernemingen.

IBM en de holocaust zou een goed boek kunnen zijn over een keihard bedrijf, dat geen oog had voor de gruwelen in nazi-Duitsland. Maar Black gaat verder en meent aan te kunnen tonen dat zonder de Hollerith-machines geen volkstellingen zouden hebben plaatsgevonden, waarmee joden geïdentificeerd werden en hun lot was bezegeld. Hij stelt dat niemand ooit precies zal weten ‘hoeveel IBM-apparaten in welk getto, welk treindepot en welk concentratiekamp gerateld hebben'. Of deze ‘moord-machines' er inderdaad hebben gestaan, weet ook hij niet, maar hij suggereert het wel. Zo krijgen de Hollerith-machines haast zelf boosaardige eigenschappen. Hun moorddadige karakter wordt nog eens gedemonstreerd door een exemplaar in het Holocaustmuseum in Washington, de sacrale plaats waar goed en fout bijeen zijn gebracht. ‘Goed' is een bootje waarmee Deense joden in veiligheid zijn gebracht, ‘fout' is de machine waarbij slechts te lezen staat dat deze in 1933 bij de volkstelling in Duitsland dienst heeft gedaan.

Het lijkt er met andere woorden op dat de Hollerith-machine enigszins met de auteur van dit boek aan de haal is gegaan. Want hoezeer de beulen van de holocaust ook baat hebben gehad bij geautomatiseerde systemen, het is niet IBM dat besliste met welke informatie de machines moesten worden gevoed. Zo verwerkte IBM in 1933 de volkstelling in Pruisen, maar het bedrijf had weinig te maken met de vragen die daarbij gesteld werden, hoewel Black dat wel suggereert. Dat IBM ‘vanaf het allereerste begin' zijn technologie willens en wetens ter beschikking stelde van Hitlers plannen tot uitroeiing van de joden ‘en territoriale overheersing' lijkt een interessante hypothese voor onderzoek, maar bij Black wordt het zonder meer gepresenteerd als een feit.

Overschatting

De geautomatiseerde bevolkingsadministratie in Europa was een handig, maar niet noodzakelijk onderdeel van de jodenvervolging. Bovendien was het systeem waarschijnlijk niet zo sluitend als Black meent. Als in Nederland de administratie, mede dankzij de Hollerith-machine van IBM, zo fantastisch was georganiseerd, waarom zouden de joden zich dan per decreet in januari 1941 zélf hebben moeten melden? En wie durft te beweren dat de honderdduizenden joden die in Polen, Oekraïne, de Baltische landen en Rusland meteen achter het front werden vermoord door SS- en politiemoordcommando's , eerst door middel van ponskaarten waren geïdentificeerd?

Black probeert zijn gelijk op twee manieren te halen. In de eerste plaats door de invloed van IBM en van de Hollerith-machine schromelijk te overschatten. In de tweede plaats door zijn manier van werken. IBM en met name zijn president-directeur Watson, wordt een schier onuitputtelijke invloed toegekend, die hij geheel ten faveure van nazi-Duitsland uitoefende. En dat terwijl, volgens de schrijver, regering en bevolking van de Verenigde Staten vanaf Hitlers machtsovername geheel tegen de nazi's gekant zouden zijn geweest. Talloze massale demonstraties getuigden daar volgens Black van. Dat er zoiets als isolationisme bestond, en dat Engeland zich vanaf 1939 buitengewoon veel moeite heeft moeten getroosten om de VS aan zijn kant te krijgen, zul je bij Black niet lezen. Wel dat Watson in Duitsland een gevierd figuur was en dat hij in 1937 een hoge nazi-onderscheiding kreeg waar hij jarenlang prat op ging, tot de betrekkingen tussen Amerika en Duitsland het nulpunt bereikt hadden. De nazi's waren overigens, net als andere overheden, niet zuinig met medailles; twee jaar later, in juli 1939, kreeg de Nederlandse secretaris-generaal Hirschfeld, in Duitse ogen een echte jood, ook een hoge nazi-onderscheiding.

Ook Blacks manier van onderzoek leidt tot onbehagen. De auteur meldt dat hij meer dan 20.000 bladzijden documentatie heeft verzameld uit meer dan vijftig archieven. Zijn lijst van publicaties is net zo indrukwekkend. Maar hij haalt er slechts uit wat in zijn straatje past. Het gebruik van Amerikaanse kranten uit die tijd moge interessant zijn om de publieke stemming weer te geven, maar nauwelijks om feiten te vermelden. Zo had kunnen worden vermeden dat er in het hoofdstuk over de Blitzkrieg sprake is van ‘meer dan 100.000' gesneuvelde Nederlandse soldaten in mei 1940, zoals de New York Times toen abusievelijk meldde (het waren er ongeveer 2.200), en het filmen van het brandende Rotterdam door Duitse parachutisten kan slechts de lachlust opwekken. Landden die vervolgens te midden van de brandhaard? En hoe zou IBM vanuit Amerika in 1941 132 miljoen ponskaarten Nederland hebben kunnen binnenbrengen?

Demagogie

Ernstiger nog is de demagogie van Black, bijvoorbeeld waar hij een joodse Nederlandse gevangene in Bergen-Belsen citeert. Deze is aangesteld bij de administratie en werkt daar met Hollerith-kaarten: ‘Terwijl de treinen en vrachtwagens vanuit België, Frankrijk en Nederland kwamen binnenrijden, werden duizenden ponskaarten onderzocht en verwerkt.' We spreken dan over december 1944. Geen zinnig mens zal de ontelbare slachtoffers van Bergen-Belsen willen ontkennen, maar op dat moment waren Frankrijk en België zo goed als bevrijd. Het laatste Nederlandse transport had plaats in september 1944.

Black heeft een interessante studie afgeleverd over een hard, op winst gericht Amerikaans bedrijf, dat de Duitse administratie zeker heeft geholpen met zijn Hollerith-machinerie. Maar directe medeplichtigheid van IBM aan de holocaust heeft hij niet aangetoond. Of je moet ook diegenen die de spoorwegen in Europa hebben aangelegd alsnog aanklagen. Zo wordt de kring der mede-schuldigen (dè politie, dè ambtenaren, koningin Wilhelmina, de geallieerden die Auschwitz niet bombardeerden etc.) steeds groter en raken de echte daders uit beeld.

Edwin Black: IBM en de holocaust. Het strategische verbond tussen nazi-Duitsland en de machtigste onderneming van Amerika. Vert. Jacques Meerman e.a. Kosmos, 512 blz. ƒ50,50

NRC Webpagina's
23 FEBRUARI 2001

Archief Boeken


    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad