U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
   T E K S T   R E G E E R A K K O O R D

NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 

Zie ook:
ARTIKELEN OVER HET ONTWERP-REGEERAKKOORD 

VI Kwaliteit en diversiteit van de samenleving

1. Integratie van minderheden
a. Werk
b. Nieuwkomers
c. Oudkomers
d. Jeugd
e. Criminaliteit
f. Gemeenten
g. Participatie
h. Racisme, discriminatie en vooroordelen
i. Gezinshereniging en gezinsvorming
2. Emancipatie
3. Cultuur, media, sport
a. Kunst en cultuur
b. Mediabeleid
c. Sport
4. Jeugdbeleid
5. Gehandicaptenbeleid
Terug naar overzicht

I. Integratie van minderheden
Onze kleurrijke samenleving is gebaseerd op respect voor een ieders culturele identiteit. De ruimte voor het beleven van de eigen culturele identiteit wordt gewaarborgd en begrensd door de Grondwet en andere wet- en regelgeving. Waar bepaalde minderheidsgroepen in een achterstandsituatie verkeren is een inhaalslag noodzakelijk, met beleid dat is gericht op allen die in dezelfde omstandigheden verkeren. Om onderscheiden groepen zo goed mogelijk te bereiken kan dit beleid specifieke kenmerken hebben. Met name in steden en wijken waar sprake is van een opeenstapeling van problemen (langdurige werkloosheid, criminaliteit, vroegtijdig schoolverlaten) is een gerichte aanpak urgent. Integratie is een kwestie van wisselwerking. Het vraagt enerzijds aanpassing van de allochtoon aan de Nederlandse samenleving en anderzijds het zich openstellen en toegankelijk zijn van diezelfde samenleving: een wederzijdse inspanning voor alle burgers. Integratieproblemen kunnen o.a. hun oorzaak vinden in werkloosheid, onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal en kennis van de samenleving, alsmede tekortschietende begeleiding en opvang.

a. Werk
De werkloosheid onder allochtonen, in het bijzonder allochtone jongeren, is verontrustend hoog. Het kabinet wil de komende vier jaar een omslag realiseren. Daartoe zullen de overheid, de organisaties van werkgevers en werknemers en de minderhedenorganisaties nauw moeten samenwerken. De werkgevers, inclusief de overheid als werkgever, moeten aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid om meer allochtonen in dienst te nemen, zeker ook op de gezichtsbepalende plaatsen in hun organisaties (positieve rolmodellen). De regering neemt het initiatief om samen met sociale partners op baanbrekende wijze arbeidsplaatsen voor allochtonen toegankelijk te maken. Bemiddeling en toeleiding naar werk vraagt een andere en meer intensieve aanpak. Startende allochtone ondernemers moeten gelijke kansen hebben. Om dat te bereiken worden specifieke belemmeringen weggenomen en krijgen starters de gelegenheid zich te laten begeleiden door mentoren uit eigen kring.

b. Nieuwkomers
In aansluiting op het inburgeringsprogramma van nieuwkomers is extra aandacht nodig voor vervolgactiviteiten om te bereiken dat nieuwkomers een reële, volwaardige kans op de arbeidsmarkt krijgen. Daartoe zullen taal-werkstages en arbeidsmarktgerichte opleidingen gelijktijdig of aansluitend beschikbaar moeten komen.

c. oudkomers
Het beheersen van de Nederlandse taal en de kennis van de Nederlandse samenleving zijn onmisbaar voor integratie. Er zijn naar schatting tussen de 100.000 en 300.000 mensen die eerder naar Nederland kwamen en die (mede) door het niet beheersen van de Nederlandse taal in een achterstandssituatie verkeren. Het kabinet streeft ernaar de achterstandssituatie via taal en inburgeringsprogramma's ongedaan te maken. Aangezien de mogelijkheden hiertoe beperkt zijn, wordt voorrang gegeven aan werklozen en opvoeders. Vanwege de werkloosheidswetgeving en de verplichting beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt zal voor werklozen een taalinburgeringsprogramma verplicht zijn. Voor het budget voor inburgering zal 50 miljoen extra beschikbaar komen uit de impuls sociale infrastructuur.

d. Jeugd
Steeds meer is zichtbaar dat velen uit de nieuwe generaties allochtone jongeren succesvol hun weg vinden in de samenleving. Dit heeft een belangrijke positieve invloed op het beeld van onze kleurrijke samenleving. Voor een kleinere groep allochtone jongeren bestaat echter een verhoogd risico voor problemen op school en op straat en voor toekomstige werkloosheid. Twee van de oorzaken zijn de geringe taalbeheersing van de ouders en het grote sociaal culturele verschil tussen het land van herkomst en de Nederlandse samenleving. Dat probleem kan met taalles, maatschappelijke oriëntatie en opvoedingsondersteuning bestreden worden. Daartoe zal een verband worden gelegd tussen de volwasseneneducatie gericht op de ouders en het onderwijs gericht op de Kinderen. Ter ondersteuning van de kinderen en de ouders zullen leerlingbegeleiders/ sociale mentoren worden ingezet, bij voorkeur uit de eigen allochtone groep. Ook bij de analyse van problemen zal meer gebruik worden gemaakt van de kennis in de eigen groep.

Risico's voor achterstand bij de jongste kinderen kunnen gesignaleerd worden bij consultatiebureaus, de kinderopvang en de peuterspeelzalen. Deze instellingen kunnen ouders zonodig doorverwijzen. De financiële drempel voor de consultatiebureaus wordt weggenomen; de toegangsbijdrage wordt afgeschaft. Al voor jonge kinderen worden didactische programma s ontwikkeld om hun kansen te verbeteren. Het is van belang dat alle daarvoor in aanmerking komende kinderen ook daadwerkelijk bereikt worden. Bij de start van het onderwijs wordt met behulp van gestructureerde intensieve onderwijsprogrmma's gewerkt aan het inhalen van de taalachterstand van kinderen die thuis niet met de Nederlandse taal opgroeien. Het landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zal in deze zin worden aangepast.

Spijbelen en dreigende schooluitval worden consequent en adequaat aangepakt. Onderbreking van het schooljaar voor een langer verblijf in het land van herkomst heeft negatieve gevolgen voor de toekomstkansen van de betrokken kinderen. De leerplichtwet dient dan ook strikt te worden toegepast.

e. Criminaliteit
De in de nota criminaliteit en minderheden ontwikkelde integrale aanpak van preventie, behandeling en repressie van criminaliteit onder jongeren wordt verder uitgewerkt in relatie met werk en scholing en uitgevoerd. Onderdeel van deze aanpak is het maatwerk en de individuele trajectbegeleiding voor iedere ontspoorde jongere. Van belang zijn verder een adequaat "lik op stuk"-beleid en zichtbare aanwezigheid van politie en justitie in de buurt.

f. Gemeenten
Gemeenten hebben het primaat als het gaat om de vormgeving van het integratiebeleid. De gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de samenleving in de buurt of wijk vraagt een kleurrijke inzet door vrijwilligers. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het ontstaan van sociale cohesie.

g. Participatie
Voor het wegwerken van achterstanden moet meer dan tot nu toe een beroep worden gedaan op de specifieke deskundigheid en ervaring binnen de etnische groepen. Allochtonen behoren een stem te hebben in besturen en leiding van algemene instellingen en organisaties. Hierbij moet er ruimte zijn voor eigen organisaties, buiten de van overheidswege gesubsidieerde representatiestructuur.

h. Racisme, discriminatie en vooroordelen
Discriminatie is moreel verwerpelijk, bedreigt de stabiliteit van de samenleving en is in strijd met de Grondwet. Racisme dient direct en duidelijk te worden veroordeeld en bestreden. De strafmat bij structurele vormen van discriminatie moet worden verhoogd. Op scholen en in opleidingen moet op praktische wijze aandacht worden gegeven aan het herkennen, voorkomen en bestrijden van vooroordelen. Ook discriminatie moet op dezelfde manier worden bestreden. Vooroordeel kan ook - onbewust - tot uitsluiting leiden. Positieve beeldvorming en het tegengaan van negatieve beeldvorming zijn van belang.

Media worden uitgenodigd de culturele diversiteit van de samenleving beter te weerspiegelen. Hier ligt een belangrijke taak voor de publieke en commerciële omroep.

i. Gezinshereniging en gezinsvorming
Voor gezinshereniging en gezinsvorming gaat de hoofdregel gelden dat de aanvrager moet voorzien in een inkomen ter hoogte van tenminste de relevante bijstandsnorm voor een echtpaar/gezin in de zin van de Algemene Bijstandswet.

2. Emancipatie
Emancipatie is al lang veel meer dan het 'inhalen van achterstanden van vrouwen'. Het gaat om veranderingen in taakverdeling, waardering van taken en maatschappelijke posities van mannen en vrouwen in de meest brede zin. Emancipatie heeft betrekking op alle beleidsterreinen, hetgeen tot uitdrukking komt in het gehele regeerakkoord.

Het kabinet zal - op basis van haar eerdere reactie - in de komende kabinetsperiode verder vormgeven aan de uitvoering van het VN-Vrouwenverdrag, op basis van de rapportage van de Commissie Groenman.

In Nederland is de formele gelijkheid tussen mannen en vrouwen een heel eind gevorderd, maar de materiële gelijkheid laat nog te wensen over. De stijgende deelname van vrouwen aan het arbeidsproces wordt niet gecompenseerd door een evenredige deelname van mannen aan onbetaalde zorg. Hierdoor dreigt een zorgvacuum te ontstaan. Voor de zorg voor kinderen bieden de voorgenomen uitbreiding van kinderopvang en buitenschoolse opvang een oplossing. Voor de "mantelzorg" voor bejaarde ouders en zieke familieleden is een goed wettelijk verlofsysteem nodig (zie hoofdstuk III). Voor het oplossen van knelpunten op het terrein van arbeid en zorg zal het kabinet mede gebruik maken van het recente advies van de Commissie Dagindeling.

Het doel is dan ook te komen tot een evenwichtige balans tussen zorg, arbeid, sociale participatie en vrije tijd voor mannen en vrouwen. Het beleid zal erop gericht zijn stereo-type beeldvorming over mannen en vrouwen, alsmede over etniciteit, binnen en buiten de overheid tegen te gaan en positieve beeldvorming te stimuleren.

Het streven naar een grotere deelname van vrouwen aan (hogere functies in) het openbaar bestuur en het bedrijfsleven zal worden geïntensiveerd in samenwerking met Toplink, Opportunity in Bedrijf en sociale partners (doorbreken van het zgn. glazen plafond).

Het nieuwe belastingstelsel biedt belangrijke impulsen voor groeiende economische zelfstandigheid van vrouwen.

Bijzondere aandacht zal in het beleid worden besteed aan het bevorderen van draagvlak voor emancipatie onder de jonge generaties; gelijkwaardigheid tussen de seksen is voor hen vaak vanzelfsprekend, maar in de praktijk lopen zij vroeg of laat tegen de nodige (institutionele) belemmeringen op.

Bijzondere aandacht is ook nodig voor de positie van allochtone meisjes. Zij worden vaak geconfronteerd met verschillende verwachtingspatronen. De rol van deze meisjes kan van grote betekenis zijn in de vormgeving van sociale cohesie in een multi-culturele samenleving.

Een coördinerende functie van een minister belast met emancipatiebeleid blijft noodzakelijk. Dat ontslaat de overige departementen niet van een eigen verantwoordelijkheid in deze. De rol van verschillende departementen in de uitvoering van beleid - gericht op integratie/mainstreaming van emancipatie - wordt gestimuleerd. Elk departement zal een actieplan opstellen met ten minste drie concrete taakstellingen op het terrein van uitvoering en beleidstoepassing die binnen de regeerperiode geëffectueerd zullen worden.

Homo-huwelijk In het belang van een versterking van de gelijkwaardige behandeling van homoseksuele en lesbische paren, zal het kabinet voor 1 januari 1999 wetgeving indienen teneinde te komen tot openstelling van het burgerlijk huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Voor adoptie van Nederlandse kinderen door paren van hetzelfde geslacht wordt uiterlijk voor 1 januari 1999 een wetsvoorstel bij de Kamer ingediend.

3. Cultuur, media en sport

a. Kunst en cultuur
Een bloeiend cultureel leven en behoud van waardevol cultureel erfgoed moeten krachtig worden bevorderd. Dat is essentieel enerzijds voor integratie en cohesie in de samenleving, voor het besef van wat ons bindt, anderzijds voor differentiatie, voor individuele ontplooiing. Beide aspecten, integratie en differentiatie, zijn in het bijzonder van belang in een samenleving met een culturele diversiteit als de onze. De regering geeft dan ook prioriteit aan kunst- en cultuurbeleid.

Naast deze activiteiten wordt de bestaande systematiek van een 4-jarige Cultuurnota (2001- 2005), de Raad voor de Cultuur en de Fondsen gehandhaafd. Extra middelen worden uitgetrokken voor de bevordering van de kwaliteit van de bestaande instellingen, zoals voor de podiumkunsten, de Nederlandse film en het in de troonrede 1 997 aangekondigde Aankoopfonds. Ook voor de ontwikkeling van vernieuwende kunstvormen zal in de komende vier jaren extra geld beschikbaar moeten zijn. De extra investering van 60 miljoen zal in elk geval worden ingezet om een impuls te geven aan jonge beginnende kunstenaars, cultuur en school, podiumkunsten en de noodzakelijke conservering van audiovisuele collecties. Om ook het internationale aspect van ons cultuurbeleid ten volle tot zijn recht te laten komen, zal de culturele vertegenwoordiging in het buitenland worden versterkt en de culturele attachés zullen een directe band met het ministerie van OCW hebben.

b. Mediabeleid
De ingezette zenderprofilering op de drie publieke televisienetten is van groot belang en moet worden voortgezet. De raad van bestuur van de NOS heeft daarbij een belangrijke stimulerende rol.

In het jaar 2000 moet een nieuwe concessiewet in werking treden. Dan zal aan de NOS een concessie voor tien jaar worden verleend. De erkenningen van de concessiedeelnemers (de omroepverenigingen) worden voor vijfjaar toegekend. Op basis van een vijfjaarlijkse evaluatie door het commissariaat voor de Media zal worden beoordeeld of een omroep nog past binnen het publieke bestel. Tevens kunnen na vijfjaar nieuwe omroepen zich voor erkenning aanmelden. Mede op basis van de opgedane ervaringen worden in het voorstel voor de nieuwe concessiewet voorstellen gedaan ter versterking van de positie van de Raad van Bestuur van de NOS.

De mogelijkheid en wenselijkheid van terugbrengen van het aantal radiozenders van vijf naar vier zal worden onderzocht.

Verdere uitbreiding van reclame-uitingen op de publieke zenders, ook rond grote evenementen, moet zoveel mogelijk worden tegengegaan. Aandachtspunt hierbij is dat de omroepbijdragen aanvaardbaar moeten blijven. 1)

c. Sport
Sport draagt bij aan de kwaliteit van de samenleving. Sporten is voor jong en oud ontspannend, gezellig en bovenal gezond. Samen sporten leidt tot verbondenheid, in teams en in club en vereniging. Sport zorgt ervoor dat mensen ergens bij horen, ergens aan deelnemen. Sporten en het begeleiden van sporters leidt tot voldoening en zelfrespect. De rol van de gemeenten wordt versterkt om sport meer te betrekken bij andere terreinen zoals jeugdbeleid, onderwijs, ouderenbeleid en beleid gericht op integratie en participatie.

Het sportbudget wordt geleidelijk vergroot. Dit leidt in 2002 tot een verdubbeling van het huidige budget, te besteden in een verhouding van 75:25 aan:

  • Het stimuleren van de breedtesporten, waaronder de gehandicaptensport en het verbeteren van de ondersteuning van de verenigingen door de nationale sportbonden;
  • Het bevorderen dat de topsport in Nederland onder professionele omstandigheden kan worden beoefend.

    De mogelijkheden worden onderzocht om het schoolzwemmen opnieuw in te voeren in het basisonderwijs. Tevens wordt gestimuleerd dat vakleerkrachten lichamelijke opvoeding opnieuw hun intrede in het basisonderwijs doen.

    4. Jeugdbeleid
    De opvoeding en ontwikkeling van jongeren tot verantwoordelijke burgers is allereerst de verantwoordelijkheid van de ouders. De meeste kinderen in ons land maken een evenwichtige ontwikkeling door. Voor een minderheid (10 a I5%) zijn de vooruitzichten echter minder gunstig. Zij kampen met gezinsproblemen, leerproblemen of andere aanpassingsmoeilijkheden en dreigen maatschappelijk uit de boot te vallen. Schooluitval, kindermishandeling en jeugdcriminaliteit zijn zorgwekkende verschijnselen in onze samenleving. Het preventief en curatief jeugdbeleid zal dan ook worden geïntensiveerd, waarbij de verbetering van de coördinatie - niet alleen tussen departementen maar ook tussen rijksoverheid en gemeenten - speciale aandacht behoeft. Ook zal meer plaats worden ingeruimd voor de opvattingen en behoeften van jongeren zelf. Het doel is een situatie waarin alle kinderen in Nederland de kans krijgen zich te ontwikkelen in een aandachtsvolle, veilige omgeving, waar problemen tijdig worden gesignaleerd en aangepakt. Op diverse beleidterreinen wordt meer geld ingezet voor jeugdbeleid: de intensiveringsmiddelen voor onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, werkgelegenheidsbeleid en sociale infrastructuur zijn alle mede gericht op de verbetering van kansen voor de jeugd.

    Er komt een nieuwe wet op de Jeugdzorg met een eenduidige aansturing en financiering (VWS-deel, Jeugd-GGZ-AWBZdeel, Justitie-deel). Alle met het proces Regie in de Jeugdzorg geboekte vooruitgang (beleidsinformatie7 zorgprogrammering kwaliteitsbeleid, Bureaus Jeugdzorg/eenduidige toegang) wordt in deze wetgeving verankerd. Het Bureau Jeugdzorg, zijnde één loket voor de jeugdhulpverlening, wordt een onafhankelijke rechtspersoon, onder één gezag met één financiering. Functionarissen van Bureaus Jeugdzorg werken intensief samen met de scholen in hun regio: zo vormen zij de noodzakelijke verbinding tussen onderwijs, jeugdhulpverlening en jeugdgezondheidszorg. Op basis van de voorgestelde veranderingen in wet- en regelgeving en de inzet van extra middelen wordt met de provincies en de grote steden een resultaatsverplichting overeengekomen die zal leiden tot de gewenste verbeteringen in het beleid.

    5. Gehandicaptenbeleid
    In het gehandicaptenbeleid wordt uitgegaan van het versterken van de mogelijkheden en het zoveel mogelijk compenseren van de belemmering van gehandicapten. Mensen met een handicap die een beroep doen op voorzieningen moeten in staat worden gesteld voor zichzelf op te komen. Hun rol is die van zelfbewuste en kritische consument, een consument die keuzen maakt op basis van kwaliteit, bereikbaarheid en toegankelijkheid. Met kleinschaligheid gestructureerde dagbesteding, persoonsgebonden budgetfinanciering en persoonsvolgende budgetten wordt verkend in hoeverre ook op basis van een vraaggestuurde zorg een optimale integratie van mensen met een handicap kan worden bereikt. Andere flexibiliseringsmogelijkheden met betrekking tot het zorgaanbod zullen in dit kader verder worden uitgewerkt. Bezien zal worden of op basis van de "Proeve van wet" inzake gelijke rechten voor gehandicapten en chronische zieken een wetsvoorstel kan worden voorbereid.


    1) Zie voetnoot in hoofdstuk 1 over omroepbijdragen.

    Terug naar overzicht

  • NRC Webpagina's
    21 JULI 1998



        Bovenkant pagina

    NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl)