U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.
   T E K S T   R E G E E R A K K O O R D

NIEUWS  | TEGENSPRAAK  | SUPPLEMENT  | AGENDA  | ARCHIEF  | ADVERTENTIES  | SERVICE 

Zie ook:
ARTIKELEN OVER HET ONTWERP-REGEERAKKOORD 

Terug naar overzicht

II Werk, sociale zekerheid en inkomen

Inleiding
A. WERK
1. Kaderwet Arbeid & Zorg
a. Verlof
b. Deeltijd
c. Kinderopvang
d. Arbeidsdeelname ouderen
e. Sluitende aanpak langdurige werkloosheid
f. Krapte op de arbeidsmarkt
g. Instroom-Doorstroombanen (I/D-banen)
h. Lage loonschalen
2. WW
a. Doorstroming
b. Flexwerk
3. Wet Sociale Werkvoorziening (WSW)
4. Arbeidstijdenwet
5. Arbeidsrecht/ontslagrecht
6. Arbeidsverhoudingen

B. SOCIALE ZEKERHEID

1. Vergroting effectiviteit uitvoering
a. Centra voor Werk en Inkomen
b. OSV 2OOl
c. Gemeenten
2. WAO
3. Arbeidsomstandigheden
4. ANW
5. Pensioenen
6. Export uitkeringen

C. INKOMENSBELEID

II. WERK, SOCIALE ZEKERHEID EN INKOMEN

A. WERK

1. Kaderwet Arbeid & Zorg
De Kaderwet Arbeid & Zorg versterkt de mogelijkheden ter ondersteuning van een breed levende maatschappelijke behoefte om het combineren van arbeid en zorg beter mogelijk te maken. Het gaat om een samenhangende regeling van de mogelijkheden voor verlof en deeltijd, met aandacht voor:

  • aansluiting bij de moderne arbeidsmarkt, moderne arbeidspatronen
  • aansluiting bij moderne vormen van opvoeding en zorg
  • de mogelijkheid dat mannen én vrouwen arbeid en zorg combineren
  • effectieve vergroting van het arbeidsaanbod
  • de gevolgen voor de bedrijfsorganisatie, in het bijzonder bij het MKB.
  • Het beter kunnen combineren van taken bij de opvoeding van kinderen en bij de uitoefening van het beroep dient zowel persoonlijke als maatschappelijke belangen.

    Zo kunnen nu nog verborgen talenten van vrouwen in betaald werk en van mannen in opvoeding beter tot hun recht komen. Ook voor de arbeidsmarkt is dit van belang. Met het oog hierop zullen aanbevelingen van de Commissie Dagindeling door middel van een tijdelijke stimuleringsmaatregel worden uitgewerkt in experimenten, ervaringsuitwisseling en irformatievoorziening. Hierbij gaat het onder meer om het bevorderen van werktijden op maat, verruiming van schoolopeningstijden en bevordering van arbeidspools en ondernemerschap in de persoonlijke dienstverlening. De overheid speelt hierbij een stimulerende rol.

    De Kaderwet maakt het ook voor mensen in een uitkeringssituatie beter mogelijk arbeid en zorgtaken te combineren, en draagt bij aan perspectief op reëntegratie op de arbeidsmarkt. Er wordt naar gestreefd nog dit kalenderjaar de Kaderwet Arbeid & Zorg -eventueel gefaseerd- bij de Tweede Kamer in te dienen. De wettelijke regeling van het geclausuleerd recht op deeltijdarbeid zal in ieder geval voor l januari 1999 bij de Tweede Kamer worden ingediend.

    a. Verlof
    De bestaande wettelijke verlofregelingen worden op elkaar afgestemd en gebundeld. Daarbij wordt tevens een kader geschapen waarbinnen het sparen voor verlof (in tijd en/of geld) op grond van CAO-afspraken of individuele overeenkomsten wordt bevorderd. Individuele werknemers kunnen het opgespaarde verlof, met inachtneming van hetgeen in arbeidsvoorwaardenoverleg is afgesproken, flexibel opnemen.

    De bestaande voorziening in het BW met betrekking tot calamiteitenverlof wordt zodanig geïntegreerd dat een nader omschreven, termijngebonden recht op zorgcalamiteitenverlof (bij ziekte van kinderen of naasten) ontstaat.

    Er zal een verkenning plaatsvinden of, en zo ja onder welke voorwaarden, een wettelijk recht op betaald zorgverlof tot stand kan worden gebracht, rekening houdend met de belangen van de bedrijfsorganisatie, in het bijzonder bij het MKB.

    Ten tijde van de eerste evaluatie van de Wet financiering loopbaanonderbreking zal worden nagegaan of en in hoeverre de gronden voor financiering zonder het vereiste van vervanging kunnen worden uitgebreid.

    b. Deeltijd
    Het geclausuleerd recht op deeltijdarbeid wordt op de volgende wijze in de Kaderwet Arbeid & Zorg vastgelegd: de werkgever honoreert een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur, tenzij dit op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen redelijkerwijs niet van hem of haar verwacht kan worden. Indien werkgever en werknemer niet tot overeenstemming kunnen komen, kan de zaak door de werknemer aan de rechter worden voorgelegd. Eenzijdige aanpassing van het arbeidscontract door de werknemer met een beroep op het recht op deeltijd, is niet mogelijk.

    Het zwaarwegend bedrijfsbelang wordt in de wet nader ingevuld. In ieder geval wordt hier onder verstaan de situatie waarin het bedrijf moeilijkheden ondervindt bij de herbezetting van vrijkomende uren. Dergelijke problemen zullen in kleinere bedrijven frequenter voorkomen. Tussen individuele werkgevers en werknemers bestaat op de volgende punten een overlegvereiste:

  • de vormgeving van de deeltijd (in dagen en uren)
  • de frequentie waarmee werknemers verzoeken om deeltijd kunnen indienen en tussentijds aanpassen
  • en de mogelijkheid tot het vaststellen van ruimere werktijden en het tijdelijk variëren van het aantal uren.
  • Over de datum van inwerkingtreding van de wet wordt overlegd met het MKB, zodat werkgevers tijdig voorbereidingsmaatregelen kunnen treffen.

    c. Kinderopvang
    Met de Wet Basisvoorziening Kinderopvang wordt een belangrijke voorwaarde geschapen voor het uiteindelijk tot stand komen van een dekkend aanbod aan opvang van kinderen tot en met 1, jaar. Ook de opvang van jongeren tussen 12 en 16 jaar kan hierdoor waar nodig worden gestimuleerd.

    Bij de financiering dienen de volgende uitgangspunten:

  • een structurele overheidsbijdrage stelt gemeenten in staat de regierol met betrekking tot beschikbaarheid en betaalbaarheid te vervullen. Waarbij wordt zorggedragen voor de totstandkoming van een (publiek-privaat) gedifferentieerd aanbod
  • een incidentele bouwimpuls zal reeds op korte termijn tot aanzienlijke vergroting van het gedifferentieerde aanbod kunnen leiden
  • de financiering door de overheid van kinderopvangvoorzieningen mag concurrentie op commerciële basis niet in de weg staan
  • samenhang wordt verzorgd met het bestrijden van het ontstaan van ontwikkelingsachterstanden bij kinderen van 0-4 jaar en met de ontwikkeling van het preventief jeugdbeleid en de brede buurtschool voor 4-16 jarigen.
  • Met een verdubbeling van de opvangcapaciteit, met een accent op de buitenschooltijdse opvang van oudere kinderen tot en met twaalfjaar, zal een belangrijke stap worden gezet om in bestaande en toekomstige behoefte te voorzien. Aansluiten op de mogelijkheden die scholen kunnen bieden is hierbij van belang.

    Er dienen basiskwaliteitseisen te zijn waaraan kinderopvang moet voldoen. Deze kunnen wettelijk worden vastgelegd.

    Door middel van een rijksbijdrage worden gemeenten in staat gesteld voldoende, voor eenieder toegankelijke, opvangmogelijkheden tot stand te brengen. Hierdoor kunnen bijdragen van werkgevers/werknemers (in CAO-verband) en ouders worden gegenereerd, zodat een evenwichtige kostendriedeling tot stand kan komen.

    De fiscale ondersteuning van werkgeversbijdragen wordt zodanig vereenvoudigd dat zal worden uitgegaan van een vast bedrag per werknemer. Tot een maximumbedrag worden de fiscale aftrekmogelijkheden voor ouders bij daartoe aangewezen opvang verruimd. De inkomensafhankelijke ouderbijdrage wordt afgeleid van het belastbaar inkomen en wettelijk vastgelegd.

    Via overleg met de gemeenten wordt bezien op welke wijze kan worden verzekerd dat de gelden die thans voor kinderopvang beschikbaar zijn, ook in de toekomst hiervoor behouden blijven. De regeling die kinderopvang biedt aan alleenstaande ouders in de bijstand wordt geëvalueerd en zo nodig aangepast.

    d. Arbeidsdeelname ouderen
    Het bevorderen van de arbeidsdeelname van ouderen krijgt een belangrijker plaats in het werkgelegenheidsbeleid. Hiervoor is onder meer een mentaliteitsomslag nodig, waarbij enerzijds werkgevers oudere werknemers niet meer vanzelfsprekend laten afvloeien, en anderzijds werknemers zich instellen op een geleidelijke afbouw van bestaande uittredingsregelingen en een langduriger loopbaan.

    In samenspraak met het bedrijfsleven worden de voorwaarden gecreëerd waardoor het voor ouderen aantrekkelijk en mogelijk wordt te blijven werken. Daarmee wordt ook het beroep op de WW en WAO verminderd.

    Omdat het vervroegd uittreden van oudere werknemers zich niet verhoudt tot het bevorderen van de arbeidsdeelname van oudere werknemers, is het gewenst het gebruik van VUTuitkeringen te ontmoedigen en de overgang naar prepensioenregelingen te bevorderen. In samenhang daarmee wordt nagegaan welke maatregelen, waaronder financiële, het voor ouderen aantrekkelijker maken om langer te blijven werken.

    Oneigenlijke uittredingsroutes die voor/door ouderen worden gebruikt, bijvoorbeeld via de WW, moeten door middel van een effectieve ontslagtoets worden tegengegaan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie van de verlenging van de wachtgeldperiode, zal de invoering van premiedifferentiatie in de WW kunnen worden overwogen. Ook het verkleinen van de sectoren kan in dit verband van belang zijn.

    Leeftijdsdiscriminatie komt - zo blijkt uit onderzoek en signalen uit de maatschappij - in hoge mate voor op het terrein van werving en selectie. Hierdoor is het met name voor ouderen problematisch om (weer) toe te treden tot de arbeidsmarkt. Daarom ook heeft de regering de afgelopen kabinetsperiode een wetsvoorstel ter bestrijding daarvan bij de Tweede Kamer ingediend. Teneinde de (plenaire) behandeling van het wetsvoorstel te bevorderen wordt een nota van wijziging voorbereid op het bij de Kamer voorliggende wetsvoorstel Verbod leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie bij arbeid. Wat betreft de normstelling zal een betere aansluiting gevonden worden bij de gesloten systematiek van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en de Wet gelijke behandeling mannen/vrouwen (WGB).

    Direct onderscheid naar leeftijd bij werving en selectie en bij het aanbieden van scholing wordt verboden, tenzij het een in de wet genoemde uitzondering betreft. Indirect onderscheid naar leeftijd bij werving en selectie en scholing, kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn.

    Preventieve actie van alle betrokkenen -overheid, sociale partners én oudere werknemers zelf- is nodig om de trend van de lage arbeidsparticipatie van ouderen te keren.

    Oudere werkzoekenden komen in gelijke mate als jongere werkzoekenden in aanmerking voor scholing en bemiddeling in trajecten gericht op terugkeer naar de arbeidsmarkt. Naarmate het leeftijdsbewust personeelsbeleid meer succesvol is en oudere werkzoekenden een reële kans maken op de arbeidsmarkt, komt de gefaseerde invoering van sollicitatieplicht voor mensen ouder dan 57,5 in beeld. De overheid zal hierover in overleg treden met de sociale partners. Hierop vooruitlopend wordt de regeling met betrekking tot passende arbeid zodanig aangepast, dat een passend aanbod ook door werkloze ouderen boven de 57,5 jaar wordt aanvaard. Voor mensen die de leeftijd van 57,5 jaar reeds zijn gepasseerd zullen geen wijzigingen meer optreden.

    e. Sluitende aanpak langdurige werkloosheid
    Ondanks de positieve economische ontwikkeling en de groeiende werkgelegenheid, is er nog immer sprake van een te grote langdurige werkloosheid, waarvan een belangrijk deel zich bevindt in de laagste sectoren van de arbeidsmarkt. Door een samenhangend pakket van maatregelen wordt de deelname aan arbeid, met name door langdurig werklozen, bevorderd.

    De Europese Raad heeft eind 1997 in Luxemburg afspraken gemaakt over de groei van de werkgelegenheid en het terugdringen van in het bijzonder de langdurige werkloosheid. Hoofdzaak is de aangegane verplichting iedere werkloze binnen maximaal 12 maanden na aanvang van de werkloosheid een aanbod te doen gericht op scholing, werkervaring, of werk (sluitende aanpak). Aan publieke en private uitvoerders zal de mogelijkheid worden geboden deze ambitie binnen de komende vijf jaar in vergaande mate te realiseren. De hiervoor benodigde middelen zullen onder meer uit de inzet van te besparen uitkeringen worden bijeengebracht. Hierbij geldt dat aan het principe "de kost gaat voor de baat uit" recht gedaan wordt. Inzicht in kosten én baten van het beleid is noodzakelijk.

    Het beslag op de collectieve uitgaven kan worden gematigd doordat ook uitkeringen vrijvallen en een beroep kan worden gedaan op het Europees Sociaal Fonds. Met regelmaat wordt getoetst of binnen een bepaalde termijn de uitstroom van werklozen is bevorderd en voldoende besparingen op de uitkeringslasten zijn gerealiseerd. Met sociale partners zal worden overlegd op welke wijze middelen uit de O & O fondsen aanvullend kunnen bijdragen aan de effectiviteit van deze aanpak.

    f. Krapte op de arbeidsmarkt
    Voor de komende periode worden op deelterreinen knelpunten voorzien in de vacaturevervulling. Tegelijkertijd blijft er sprake van een aanzienlijke werkloosheid. Sectorale werkgevers en werknemers zullen een pro-actief beleid moeten voeren om in dergelijke knelpunten tijdig te voorzien, en te investeren in duurzame oplossingen. Het gaat hierbij om planning en afspraken met het beroepsonderwijs, het opleiden van leerlingwerknemers, het mogelijk maken van combinaties van arbeid en zorg, het doorscholen van zittend personeel, het bieden van goede arbeidsomstandigheden, het voorkomen van voortijdige uitstroom uit de sector, en het inschakelen van werklozen. Flankerende beleidsinstrumenten van Arbeidsvoorziening en overheid, bijvoorbeeld op het terrein van beroepsonderwijs en scholing, resp. arbeidsbemiddeling, worden mede ingezet voor het oplossen van vraagknelpunten. Aan Arbeidsvoorziening wordt gevraagd een permanente monitor in te richten en een actieplan te ontwikkelen om, in samenwerking met de diverse sectoren, knelpunten op de arbeidsmarkt te bestrijden.

    g. Instroom/Doorstroombanen (I/D-banen)
    De door het vorige kabinet geïnitieerde Regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen wordt voortgezet. Naarmate meer sprake is van doorstroming vanuit deze banen, ontstaat ook meer ruimte voor instroom aan de onderkant en daarmee voor een ruimere integratie van langdurig werklozen in het arbeidsproces. Bovendien geeft een bewuste inzet op doorstroming betrokken werknemers meer perspectief op hoger gekwalificeerd werk en daarmee samenhangend hoger inkomen. De nagestreefde doorstroming zal worden bevorderd door, waar dat mogelijk is, betrokken werknemer met behulp van scholing, opleiding en gerichte training te kwalificeren voor hoger gekwalificeerde arbeid.

    De inzet van middelen voor scholing en een voorrangspositie bij sollicitaties voor banen op hogere functieniveaus, zijn in het bijzonder bij de voorziene uitbreiding van werkgelegenheid in de zorgsector, de kinderopvang en in het onderwijs, van groot belang. Ook doorstroming naar de marktsector blijft een belangrijk aandachtspunt. Het is daarnaast van belang voor alle gemeenten de Regeling Extra Werkgelegenheid Langdurig Werklozen uit te breiden (Instroombanen), en ook nieuwe, hoger gekwalificeerde banen mogelijk te maken in de collectieve sector (Doorstroombanen).

    De Instroombanen blijven volledig gefinancierd. De Doorstroombanen zullen voor een beperkt deel mede dienen te worden gefinancierd door de lokale overheid en betrokken instellingen. De loonschaal van de I-banen vangt aan op het niveau van het wettelijk minimum uurloon, en mag niet hoger zijn dan 130% WM[u]L. De loonschalen van de D banen komen uit op maximaal 150% WM[u]L.

    Een deel, tenminste 10%, van de I/D-banen zal worden gereserveerd voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.

    h. Lage loonschalen
    Waar bij de I/D-banen sprake is van het benutten van het onderste segment van de arbeidsmarkt en de daaraan gerelateerde beloning, wordt het belang onderkend van het introduceren en benutten van de laagste loonschalen in Cao's vanaf het niveau van het wettelijk minimumuurloon en/of andere maatregelen gericht op de arbeidsparticipatie van langdurig werklozen. Het huidige beleid gericht op het benutten van de laagste loonschalen, heeft geleid tot een dalend gemiddeld aanvangsloon van 106,7% anno 1998. Een verdere daling blijft onverminderd van belang.

    Het instrument van het algemeen verbindend verklaren van Cao's mag dit belang niet in de weg staan. Dit brengt ook met zich mee dat in voorkomende gevallen dispensatie wordt verleend aan werkgevers die werknemers op het minimumloon in dienst willen nemen. Onafhankelijke beoordeling van dispensatieverzoeken, zoals ook door de Stichting van de Arbeid is aanbevolen, zal nu ook daadwerkelijk gevolg moeten krijgen. Met sociale partners zal in het najaar van 1999 de balans worden opgemaakt van de wij ze waarop de toepassing van de bestaande wettelijke instrumenten ter ondersteuning van de arbeidsverhoudingen bijdraagt aan het effectief terugdringen van het aantal mensen met een uitkering.

    2. WW

    a. Doorstroming
    De activerende werking van de WW wordt versterkt. Het uiteindelijk realiseren van een sluitende aanpak voor participatie en reïntegratie in het kader van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid, is het doel van het beleid. Tegelijkertijd worden waar mogelijk prikkels om de vermijdbare instroom in de WW te beperken en de uitstroom te bevorderen, versterkt.

    Met het oog op de invulling van de sluitende aanpak in het kader van het Nationaal Actieplan Werkgelegenheid, wordt een experiment gestart met de inzet van Awf-gelden voor scholing en reïntegratie. Uitgangspunt voor de inzet van WW-premiegeld is dat premies kostendekkend moeten zijn en dat aan het principe ``de kost gaat voor de baat uit" recht gedaan wordt. Door inzet van een geoormerkt Awf-budget kan met regelmaat worden getoetst of binnen een bepaalde termijn de uitstroom van werklozen is bevorderd en voldoende besparingen op de WW-uitkeringslasten zijn gerealiseerd.

    In het kader van het realiseren van de sluitende aanpak, zullen de mensen met een moeilijke positie op de arbeidsmarkt, met name langdurig werklozen, ouderen, arbeidsgehandicapten en (jonge) allochtonen, specifieke ondersteuning behoeven. Voor mensen die niet of niet direct in aanmerking komen voor toeleiding naar de arbeidsmarkt, bestaat de mogelijkheid tot sociale activering gericht op maatschappelijke participatie.

    Werkzoekenden die in aanmerking komen voor een traject richting werk, scholing of sociale activering, sluiten daartoe een individueel contract met de uvi of gemeente.

    Vermijdbare instroom in de WW wordt beperkt en de uitstroom wordt bevorderd. Het financieel belang bij de reïntegratie wordt vergroot.

    De mogelijkheid het fictief arbeidsverleden in de WW op termijn te vervangen door het feitelijk arbeidsverleden, wordt overwogen. Wanneer invoering van het feitelijk arbeidsverleden wordt overwogen, blijft bij de vaststelling van het arbeidsverleden van werknemers die als ouder een kind hebben verzorgd, voor die periode in elk geval het fictief arbeidsverleden als in de huidige WW bestaan.

    Het bestaande sanctiebeleid wordt strikt uitgevoerd: daartoe worden de richtlijnen en uitvoeringsvoorschriften bij uvi's en Arbeidsvoorziening geüniformeerd ten aanzien van controle op sollicitatieplicht, scholing en passende arbeid. Om het voor mensen aantrekkelijker te maken lager betaald werk te aanvaarden met behoud van WW-rechten en daarmee effectieve reïntegratie te bevorderen, wordt bezien of de WW bij het aanvaarden van werk niet meer op gewerkte uren, maar op inkomsten kan worden gekort.

    Om de arbeidsmobiliteit tussen de publieke en de marktsector te bevorderen, wordt het, vooruitlopend op de invoering van de OOW uiterlijk in 2001, mogelijk gemaakt dat opgebouwde WW-rechten van de ene naar de andere sector kunnen worden meegenomen.

    b. Flexwerk
    Voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt neemt het belang van flexwerk toe. Tegelijkertijd biedt flexwerk veel mensen de kans op het vinden van een vaste plaats op de arbeidsmarkt. Daarom is het van belang dat voor deze werknemers ook meer scholingstrajecten beschikbaar komen. De scholings- en uitkeringsrechten dienen hiermee meer in overeenstemming te worden gebracht. Doel is de toegang voor de zeer diverse groepen flexwerkers tot WW en ZW te verbeteren: door aanpassing van regelgeving en betere informatievoorziening. Daarnaast is het recht op uitkering voor flexwerkers ook voor de uitvoeringsinstellingen en gemeenten vaak moeilijk, met veel administratieve rompslomp, vast te stellen.

    Er wordt onderzocht op welke wijze de toegang van flexwerkers tot ZW en WW, en het bepalen van de verzekeringsrechten door de uitvoeringsinstelling, verbeterd kan worden. Daartoe zullen experimenten met een andere systematiek van toelatingseisen worden gestart. Uitgangspunt is dat er evenwicht dient te zijn tussen de rechten, de mate en omvang van flexibiliteit enerzijds en plichten anderzijds (waaronder het rariteitenbesluit).

    3. Wet Sociale Werkvoorziening (WSW)
    De nieuwe WSW moet meer mensen met een handicap de kans bieden op een arbeidsplaats. De wachtlijsten kunnen daardoor aanmerkelijk worden verminderd. Van belang is het behoud van plaatsen voor de zwaarst gehandicapten, alsmede de aansluiting tussen de WSW en de dagopvang. De rijkssubsidie zal hiervoor de ruimte bieden, met inachtneming van de noodzakelijke begrenzing van het gemeentelijk aandeel in de financiering.

    Met de extra beschikbare middelen kan in 2002 een uitbreiding van tussen de 4000 en 5000 extra WSW-plaatsen worden gerealiseerd.

    4. Arbeidstijdenwet
    De evaluatie van de Arbeidstijdenwet is voorzien in 2000. Wanneer zich tussentijds zwaarwegende knelpunten aandienen, zullen deze worden opgelost.

    5. Arbeidsrecht/ontslagrecht
    Voor deze kabinetsperiode zijn verschillende onderzoeken naar de effectiviteit van de preventieve ontslagtoets en het hoger beroep in het ontslagrecht voorzien. Op basis van die onderzoeken wordt de wenselijkheid van de introductie van een hoger beroep, in relatie tot de effectiviteit van de preventieve ontslagtoets, bezien.

    6. Arbeidsverhoudingen
    Nagegaan zal worden in hoeverre in de praktijk belemmeringen bestaan ten aanzien van het uittreden uit een bedrijfstakcao ten gunste van het afsluiten van een ondernemingscao, en hoe die weggenomen kunnen worden.

    B. SOCIALE ZEKERHEID

    1. Vergroting effectiviteit uitvoering
    Sociale zekerheid (voor mensen beneden de AOW-leeftijd) dient mensen die niet op andere wijze in hun inkomen kunnen voorzien een redelijke bestaansgarantie te bieden. Zowel uit sociaal als uit economisch oogpunt is het echter van groot belang de noodzaak van een beroep op sociale zekerheid te beperken en de afhankelijkheid van regelingen zo veel mogelijk te voorkomen. Een op werk gerichte en klantvriendelijke uitvoeringsorganisatie is hiervoor onontbeerlijk.

    De conclusies die op grond van de Parlementaire enquête uitvoeringsorganen sociale verzekeringen (Buurmeijer) zijn getrokken, zijn en blijven met het oog hierop richtinggevend:

  • een activerend stelsel
  • regionalisatie van de uitvoering
  • geen invloed van werkgevers en werknemers op de gevalsbehandeling
  • onafhankelijk toezicht.
  • De inmiddels in gang gezette veranderingen zullen langs deze weg verder worden geleid.

    De effectieve en rechtmatige uitvoering van de sociale zekerheidswetten valt onder de publieke verantwoordelijkheid. Daarbinnen wordt een onderscheid gemaakt tussen de publiek georganiseerde uitvoering van taken die naar hun aard niet voor concurrentie in aanmerking komen en de ruimte voor private uitvoering van werkzaamheden die daardoor tot grotere effectiviteit voor werkzoekenden, werkgevers en werknemers kan leiden. Het gaat om de vergroting van de kans op werk, het realiseren van efficiencybesparing op de uitvoeringskosten en verlichting van de administratieve lasten van werkgevers.

    a. Centra voor Werk en Inkomen
    Het traject van reïntegratie en uitkeringsverzorging vangt aan met:

  • presentatie van vacature-aanbod (nationale vacaturebank onder verantwoordelijkheid van Arbeidsvoorziening) alsmede de directe bemiddeling naar werk als dat mogelijk is (de - korte-termijn voor de overdracht tussen CWI en uvi/gsd wordt nader bepaald)
  • de registratie van gemeenschappelijke gegevens en de inschrijving voor werk
  • indeling van werkzoekenden naar de mate van hun afstand tot de arbeidsmarkt
  • medische keuringen
  • advisering aan de uvi/gsd over de individuele trajectvereisten
  • vaststelling van het recht op een uitkering.
  • Dit zijn de primaire taken die de toegang tot werk en zonodig een uitkering waarborgen. Deze taken dienen onafhankelijk van marktinvloed en concurrentie en zonder beïnvloeding van de individuele gevalsbehandeling door belanghebbenden, zoals werkgevers, werknemers, gemeenten en uitvoeringsinstanties, plaats te vinden. Deze taken worden daartoe in het publieke domein ondergebracht en uitgevoerd door regionaal, op landelijk dekkende basis, georganiseerde Centra voor Werk en Inkomen. De eventuele latere vervolgbeoordeling kan vanuit het CWI op basis van detachering plaatsvinden bij de uitvoeringsinstellingen.

    Teneinde de dossiervorming te optimaliseren en de dossieroverdracht optimaal te doen plaatsvinden is verdere standaardisatie van gegevensbeheer door, en ontwikkeling en invulling van het automatische elektronische beheerssysteem (CVCS), noodzakelijk. Aldus vervullen de Centra voor Werk en Inkomen de poortwachtersfunctie die zo veel mogelijk voorkomt dat mensen een beroep moeten doen op een uitkering. Wanneer dit toch noodzakelijk blijkt moet de werkzoekenden een snelle en effectieve kans op reïntegratie worden geboden.

    b. 0SV 2001
    De feitelijke reïntegratie en de uitkeringsverzorging vindt plaats door diverse uitvoerders. Deze uitvoerders, de uitvoeringsinstellingen, Arbeidsvoorziening en overige intermediairs, zullen de opdracht hiertoe moeten verwerven van de opdrachtgevers. Voor de werknemersverzekeringen zijn dat werkgevers en werknemers gezamenlijk (op het niveau van sectoren, bedrijfstakken en ondernemingen met meer dan 100 werknemers). Voor de ABW zijn dat de gemeenten.

    Een nader te bepalen blijvend aandeel van de reïntegratie-trajecten zal bij Arbeidsvoorziening moeten worden ingekocht, om te garanderen dat een goede publieke voorziening voor arbeidsbemiddeling intact blijft, met name ook in het belang van werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Garanties worden ingebouwd voor gelijke eoncurrentievoorwaarden tussen Arbeidsvoorziening en overige aanbieders. Versterking van de vraagsturing in de uitvoering, wordt steeds in samenhang bezien met het realiseren van de sluitende aanpak: een traject gericht op werk voor alle werkzoekenden.

    Op deze wijze wordt bereikt dat:

  • de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening wordt geïntegreerd in de Centra voor Werk en Inkomen
  • een deel van de middelen voor de prestatiedienstverlening beschikbaar voor de opdrachtgevers komt
  • de aanspraak op publieke middelen voor reïntegratie van werkzoekenden meer afhankelijk wordt van zijn/haar afstand tot de arbeidsmarkt
  • de individuele gevalsbehandeling en claimbeoordeling onafhankelijk van belanghebbenden worden uitgevoerd
  • De voor deze verandering benodigde stappen zullen gefaseerd in praktijk worden gebracht, eventueel begeleid door een landelijke veranderingsorganisatie. Vooruitlopend hierop zal de thans bij de uitvoeringsinstellingen berustende claimbeoordeling van de overige activiteiten worden afgesplitst.

    De uitkeringsinstellingen verrichten binnen de opdracht (als ZBO) de hierop aansluitende handelingen in het kader van premie-inning en uitkeringsverstrekking.

    De rechten en plichten van de uitvoeringsinstelling en de cliënt ten opzichte van elkaar worden in een tijdelijk contract vastgelegd. Geslaagde bemiddeling van moeilijk plaatsbare werkzoekenden kan met een bonus worden beloond.

    Tevens wordt toegezien op het waarborgen van de privacy van uitkeringsgerechtigden: gegevens van uitkeringsgerechtigden mogen niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan waarvoor ze zijn verzameld, tenzij dit uitdrukkelijk in wet- of regelgeving is toegestaan. Fraudebestrijding heeft blijvend een hoge prioriteit: bevorderd zal worden dat de uitvoeringsinstellingen daar ook zélf een belang bij hebben.

    Bij de vormgeving van de nieuwe verhouding tussen de opdrachtgevers en opdrachtnemers is het van belang een goede aansluiting tot stand te brengen tussen het brede arbeidsmarktbeleid en de vraag- en aanbodkenmerken van de bedrijfssectoren. Met sociale partners en gemeenten zal worden overlegd op welke wijze enerzijds de landelijke onafhankelijke coördinatie van de uitvoering, en anderzijds de beleidsmatige betrokkenheid van partijen, vorm kunnen krijgen.

    c. Gemeenten
    De vaststelling van het recht op een bijstandsuitkering wordt ondergebracht in het Centrum voor Werk en Inkomen. Gemeenten verlenen het CWI hiertoe een wettelijk mandaat. De sociale diensten kunnen hun reïntegratie-opdracht uitvoeren door middel van inkoop van diensten van derden. Voorzover dit in overeenstemming blijft met het publieke en privacy belang kunnen overige uitvoeringstaken worden uitbesteed binnen het kader van een daartoe op te stellen AMvB. Het College van B&W blijft te allen tijde voor de uitvoering verantwoordelijk. Randvoorwaarde voor de gemeenten is dat de ruimte die zij krijgen bij het uitvoeren van hun reïntegratie-opdracht, niet mag leiden tot hogere uitvoeringskosten (meting door standaardisatie en vergelijking gemeenten).

    De rechten en plichten van de sociale dienst en de cliënt ten opzichte van elkaar worden in een tijdelijk contract vastgelegd. Geslaagde bemiddeling van moeilijk plaatsbare werkzoekenden kan met een bonus worden beloond. In dit verband worden de gelden die thans zijn gemoeid met de uitvoering van de ABW respectievelijk de WIW gebundeld in een Fonds voor Werk en Inkomen en wordt het gemeentelijk aandeel in de financiering vergroot. Hierbij wordt gebruik gemaakt van elementen uit het rapport van de Projectgroep objectief verdeelmodel.

    Voor mensen met een (voorlopig) te grote afstand tot de arbeidsmarkt worden de mogelijkheden tot sociale activering in ABW verruimd, met inachtneming van de bevindingen naar aanleiding van de lopende experimenten (art. 144).

    2. WAO
    Ondanks de economisch gunstige tijden, blijft de volumeontwikkeling in de arbeidsongeschiktheidsregelingen naar verhouding te hoog. Beperking van de instroom en vergroting van de uitstroom uit de WAO blijft een belangrijk beleidsdoel met het oog op een betere reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten en gelet op de noodzaak van blijvende kostenbeheersing in de sociale zekerheid. Uitgaande van de bestaande beoordelingscriteria moet dit in de keuringspraktijk langs meerdere wegen worden bevorderd. Hoofdzaak is het scheppen van een omgeving van herstel en reïntegratie in alle stadia van beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Bij het bestrijden van arbeidsongeschiktheid is een preventieve aanpak urgent. Dat geldt eens te meer in sectoren met een hoge kans op arbeidsongeschiktheid, met name in de zorgsector. Ook de frequentie van beoordeling van arbeidsongeschiktheid, met name daar waar sprake is van aandoeningen waarvan herstel mogelijk is, vraagt meer aandacht, in combinatie met het krijgen van meer inzicht in de oorzaken en het voorkomen van psychische klachten. Door de substantiële investering in de ambulante geestelijke gezondheidszorg kunnen psychische klachten, veroorzaakt door het werk en/of de werkomgeving, preventief worden aangepakt, waardoor de instroom in de WAO aanzienlijk gereduceerd kan worden. De kwaliteitsborging met betrekking tot de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige beoordeling zal worden versterkt. Waar mogelijk zal het instrument van standaardisering en vergelijking worden ingezet.

    Nu op 1 juli 1998 de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten (REA) in werking treedt/is getreden, wordt van alle betrokkenen de benodigde inspanningen gevraagd om te komen tot effectieve reïntegratie op de arbeidsmarkt van mensen met een arbeidshandicap. De kansen die de huidige arbeidsmarkt daarvoor biedt, mogen niet onbenut blijven. Na het eerste volle jaar van toepassing (1999) zal het effect van de Wet REA worden getoetst.

    Analoog aan de wetgeving tegen leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt zal ook de mogelijkheid worden bezien van wetgeving ter bestrijding van discriminatie van mensen met een handicap op de arbeidsmarkt.

    3. Arbeidsomstandigheden
    Door verbeterde preventie van arbeidsgebonden aandoeningen en vroegtijdige reïntegratie in het arbeidsproces van zieke of tijdelijk arbeidsongeschikt geraakte werknemers, zijn belangrijke structurele besparingen in de sociale verzekeringen en gezondheidszorg te realiseren. Hiertoe is een verdere impuls ter verbetering van de arbeidsomstandigheden en de sociaal medische begeleiding van werknemers noodzakelijk. Voor het afsluiten van convenanten met hoge-risicobedrijfstakken ter vermindering van de arbeidsrisico's, de versterking van de arbo-infrastructuur, alsmede de bevordering van samenwerking van arbo, zorg en gezondheidszorg, worden financiële middelen ter beschikking gesteld.

    4. ANW
    De evaluatie van de Algemene Nabestaandenwet is voorzien voor 1 juli 2001, en zal mede in samenhang worden bezien met de kabinetsnotitie over de samenloop van uitkeringen.

    5. Pensioenen
    Het kabinet en de sociale partners hebben in het najaar van 1997 in een convenant afspraken gemaakt over modernisering en kostenbeheersing van aanvullende pensioenvoorzieningen. Uiterlijk l maart 2001 zal een evaluatie van de naleving van deze afspraken zijn afgerond. Dan zal beoordeeld worden of de gerealiseerde effecten alsnog aanleiding geven tot wettelijke maatregelen, waarvan het kabinet in het licht van het convenant heeft afgezien.

    6. Export uitkeringen
    Een voortvarende parlementaire behandeling van de Wet Beperking export uitkeringen, is wenselijk.

    C. INKOMENSBELEID

    Bij het behoedzame scenario van economische groei, zal conform het bepaalde in de WKA, de koppeling van de uitkeringen en de AOW-pensioenen aan de gemiddelde contractloonontwikkeling worden toegepast. In aanvulling hierop worden maatregelen voor gerichte inkomensondersteuning doorgevoerd tot een bedrag van 750 miljoen. In de vormgeving van die maatregelen, zullen armoedeval-effecten zoveel mogelijk worden vermeden.

    In dit kader zal in de eerste plaats het budget voor de regeling Tegemoetkoming Studiekosten structureel worden verhoogd met 250 miljoen. Hiermee kunnen ouders met een besteedbaar inkomen tot ca. 60.000 gulden een belangrijke(r) tegemoetkoming ontvangen bij de bestrijding van de kosten van onderwijs.

    In de tweede plaats worden maatregelen genomen gericht op het ondersteunen van chronisch zieken en mensen met een handicap. Hiervoor is in totaal 225 miljoen beschikbaar. De invulling van de maatregelen is mede afhankelijk van de resultaten van de voorziene evaluatie van de bestaande fiscale faciliteit voor chronisch zieken. Het beroep op de WVG zal structureel toenemen. Hiervoor zal de benodigde ruimte moeten worden vrijgemaakt, teneinde de wettelijke aanspraken van gehandicapten recht te doen.

    In de derde plaats worden de beschikbare middelen voor de bijzondere bijstand met 150 miljoen verruimd. Met de gemeenten zal in overleg worden getreden over de wijze waarop ook in het lokale inkomensondersteuningsbeleid rekening wordt gehouden met de kansen op de arbeidsmarkt. Met name bij de toepassing van het kwijtscheldingsbeleid en van de bijzondere bijstand is het van belang de overgang van uitkering naar werk zo min mogelijk te belemmeren, in aansluiting op en ter versterking van het kabinetsbeleid dat de verhoging beoogt van de netto-beloning van werk. De randvoorwaarden voor de aanwending van de middelen in het Fonds voor Werk & Inkomen worden hierop afgestemd. In die samenhang zullen extra middelen voor de bijzondere bijstand beschikbaar kunnen komen. Tenslotte komt voor de lHS 125 miljoen extra beschikbaar. Daarmee kan de IHS voor ouderen worden verruimd, mede om (alleenstaande) ouderen extra tegemoet te komen in de extra energielasten waarmee zij als gevolg van de invoering van de ecotax geconfronteerd zullen worden.

    Terug naar overzicht

    NRC Webpagina's
    21 JULI 1998



        Bovenkant pagina

    NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD (web@nrc.nl)