|
O P I N I E
|
![]()
NIEUWSSELECTIE
|
H O O F D A R T I K E L :
Oververhitting
Nagenoeg iedereen profiteert van de economische voorspoed. Het bedrijfsleven boekt klinkende winsten, de werknemers in de particuliere en publieke sector verdienen wat meer, de koopkracht stijgt, de uitkeringen volgen de loonontwikkeling, de overheid ziet het financieringstekort afnemen. Het beleid van vijftien jaar aanpassen en loonmatiging werpt zijn vruchten af. TOCH BLIJFT het Nederlandse succes vol paradoxen. Ten minste drie springen er in het oog. Ten eerste neemt de werkgelegenheid toe maar het aantal uitkeringen daalt nauwelijks. Tegenover het groeiend aantal deeltijdbanen, de (her-)intreding van vrouwen en het stille einde aan de jeugdwerkloosheid staan de geringe daling van het aantal mensen met een WW-uitkering en de hernieuwde stijging van het aantal WAO'ers. In vergelijking met het vangnet van de bijstand zijn dat 'dure' uitkeringen, zodat de uitgaven voor de sociale zekerheid, ondanks de banengroei, blijven stijgen en de sociale fondsen tegen een miljardentekort aankijken. De tweede paradox is dat een uitbundig groeiende economie geen impuls van de overheidsbestedingen - hetzij in de vorm van publieke investeringen, hetzij van lagere belastingen - nodig heeft, maar eerder gebaat is bij beperking van de overheidsuitgaven en lastenverhoging. Toch pleit niemand daar voor. Integendeel, lastenverlichting wordt alom wenselijk geacht, temeer omdat tegen het jaar 2000 een sluitende begroting wordt verwacht. Lagere belasting op arbeid vormt hét recept voor meer werk en voor vermindering van het beroep op uitkeringen. Ten derde heeft het Nederlandse model het probleem van de inactiviteit niet opgelost. De vroegtijdige uittreding van vijftig-plussers neemt dramatische vormen aan en grote groepen laaggeschoolde, langdurig werklozen staan min of meer permanent buiten de reguliere arbeidsmarkt. Desondanks worden de institutionele regels en financiële prikkels onvoldoende aangepast. Het CPB pleit nu voor een aanpak van de verborgen werkloosheid onder ouderen; de overheid erkent stilzwijgend dat het scheppen van werk aan de onderkant van de markt slechts mogelijk is met gesubsidieerde 'Melkertbanen'. Gunstige uittredingsregels en een verwaarloosbaar inkomensverschil tussen uitkeringen en het minimumloon zijn daar debet aan. WELLICHT ZAL de voorspelde schaarste op de arbeidsmarkt aan deze ongerijmdheden een einde maken. Het valt immers niet goed te verklaren dat werknemers de prijs voor hun arbeid omhoog schroeven, terwijl nog altijd zo'n vijftien procent van de bevolking in de werkzame leeftijd formeel geen werk (meer) heeft. Het gevaar van looninflatie kan, met andere woorden, worden afgewend door veel meer aandacht te besteden aan de overgang van uitkeringen naar inkomen uit werk. Nederland heeft, zoals het IMF stelt, een ,,gouden mogelijkheid'' om in een comfortabele situatie van welvaartsgroei enkele resterende structurele knelpunten op te ruimen. Dat kan met een verhoging van de arbeidsparticipatie, een verlaging van de bruto-arbeidskosten en een laatste stap naar begrotingsevenwicht. Dit alles ligt, met voortzetting van het huidige beleid, binnen bereik vóór het einde van deze eeuw.
|
NRC Webpagina's
4 APRIL 1997
|
| Bovenkant pagina |