U kijkt naar de website van NRC Handelsblad gedurende de periode 1995-2001. Bezoek ook de de huidige site.

Terug naar NRC Webpagina's


Johan Hendrik Van Dale (1828-1872):
Maker van een half woordenboek

Ewoud Sanders

Johan Hendrik van Dale was een onverbeterlijke workaholic. In krap twintig jaar publiceerde hij 22 boeken en honderden artikelen. Hier een portret van een nederige autodidact die zijn woordenboek maar half voltooide en die zijn faam in de eerste plaats dankt aan een 21-jarige leerling. ‘Verzekerde mij een mijner letterkundige vrienden, dat hij, die zijn vader en moeder vermoord heeft, nog te goed was om een Woordenboek te schrijven, ik heb mijzelven vaak twijfelmoedig de vraag gedaan, of hij wel volkomen ongelijk had.’

Hij moet er vreselijk aan toe zijn geweest. Van top tot teen was hij bedekt met duizenden ettergezwellen, sommige ter grootte van een erwt. De puisten zaten ook in zijn mond, zodat hij moeilijk kon spreken. Zijn gezicht was opgezwollen en hij moet hebben gestonken naar beschimmeld brood.1 Zijn beste vriend, dominee H.Q. Janssen uit het nabijgelegen St. Anna ter Muiden, herkende hem op het laatst nauwelijks meer en beschreef zijn uiterlijk als ‘afzigtelijk, afschuwelijk’.

In de eerste week van mei 1872 werd Johan Hendrik van Dale, schoolmeester en archivaris te Sluis, geveld door de pokken, toen vrijwel zonder uitzondering ‘de vreeselijke kinderziekte’ genoemd. Zijn doodstrijd is goed gedocumenteerd en tegen het eind van dag tot dag te volgen.

Veertien dagen lang leed hij de ‘hevigste smarten en pijnen’. Aanvankelijk hadden de artsen nog hoop op beterschap, maar die bleek al spoedig ongegrond. Van Dale had een zeer zwak gestel, zijn leven lang leed hij aan ‘eene buitengewoone zenuwachtigheid’, zoals zijn boezemvriend Janssen het omschreef. Naarmate hij ouder werd, kreeg hij steeds meer last van koortsachtige aandoeningen en hoofdpijn. Nog maar kort daarvoor was hij hersteld van een andere ernstige ziekte.

Op vrijdag 17 mei was de toestand zo verergerd dat Van Dale zelf begon te voelen dat hij het dit keer niet zou overleven. ‘Maar’, zo zei hij de volgende dag tegen dominee Janssen, ‘ik sterf kalm en gerust, in ‘’t geloof aan en ’t vertrouwen op mijn’ Zaligmaker’. Na zijn dood, zo vertrouwde Van Dale zijn vriend toe, zou hij ter nagedachtenis het toen tot de letter t gevorderde Biographisch Woordenboek der Nederlanden van A.J. van der Aa krijgen, een woordenboek waarin Van Dale later overigens zelf zou worden opgenomen.

In de vroege ochtend van zondag 19 mei liet Van Dale ‘zijne door droefheid afgetobde vrouw en kinderen’ wekken om afscheid van hen te nemen. Hij gaf zijn vrouw de wens te kennen dat zijn leerling Jan Manhave het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal zou voltooien. Van Dale werkte al bijna vijf jaar aan dit woordenboek, waarvan drie met hulp van de jonge Manhave.

In de loop van de avond kwam dominee Janssen nogmaals langs, maar Van Dale kon al niet meer spreken. ‘Het heeft zeker zijn laatste uren verzwaard, dat hij het werk, met zooveel ijver en liefde opgevat, onvoltooid heeft moeten laten liggen’, veronderstelde het Leidsch Dagblad naderhand.2 Om tien uur die avond, Pinksterzondag 19 mei 1872, blies Van Dale zijn laatste adem uit, 44 jaar oud. ‘Wie in den late avond van den 19den mei […] Sluis heeft doorgewandeld en nu en dan een oogenblik is blijven stilstaan bij de groepen, die zich hier en daar hadden gevormd’, aldus Jan Manhave, ‘heeft getuige kunnen zijn hoe algemeen zijn [Van Dales] vroeg afsterven werd betreurd.’3

Aan werken verslaafd

Als Van Dale niet door de pokken tot ‘een hoogeren werkkring’ was geroepen, zoals Manhave het later omschreef4, dan had hij zich zonder twijfel doodgewerkt. Het begrip workaholic staat pas sinds 1984 in de Grote Van Dale, maar zo zie je: een verschijnsel kan ook bestaan zonder dat er een woord voor is. ‘Ik overdrijf niet, als ik van hem zeg, dat hij dag en nacht studeerde’, schreef dominee Janssen in het Levensbericht van zijn vriend. ‘Geen oogenblik liet hij verloren gaan; ledig zijn was hem een straf. [...] Hij kende geene uitspanningsuren: zijn’ ziel was altijd ingespannen.’ Janssen drong er herhaaldelijk op aan dat Van Dale ten minste dagelijks een uurtje ging wandelen. ‘Doch altijd was het te vergeefs. Hij kòn letterlijk het werken niet nalaten. Daarom werd dan ook algemeen gezegd: Van Dale werkt zich dood, en niemand voorspelde dat hij oud zou worden.’5

Manhave had dezelfde ervaring met zijn leermeester: ‘Soms stond hij in ’t midden van den winter als de thermometer vijftien à twintig graden beneden het nulpunt teekende, om vier of vijf uren op...’6

Van Dale schreef zijn ontzagwekkende werklust zelf toe aan het feit dat hij als kind vaak weken achtereen ziek was geweest. Studeren had hem, aldus Manhave, ‘zelfs in droevige en donkere oogenblikken menigmaal troost en opbeuring geschonken. Daarom had hij de studie liefgekregen en noemde hij zijne boeken zijne beste vrienden.’7

Levensloop

Johan Hendrik van Dale werd op 15 februari 1828 geboren te Sluis in Zeeuws-Vlaanderen, als zesde zoon van Abraham van Dale (1799-1837) en Pieternella Johanna du Bois (1802-1865). Zijn moeder was winkelierster, zijn vader eerst peperkoekbakker, daarna landmeter, vervolgens hulponderwijzer en tenslotte militair; hij stierf aan boord van een oorlogsbodem voor de zuidkust van Java toen Johan Hendrik elf was.

Johan Hendrik groeide uit tot een, voor zijn dagen, vrij lange man. Hij was 1,72 meter en had – volgens een beschrijving uit die tijd – een lang aangezicht, een hoog voorhoofd, blauwe ogen, een grote neus, een forse mond, een ronde kin, blonde wenkbrauwen en blond golvend haar.8

Zijn nieuwsgierigheid en zijn scherpe geheugen wierpen al snel vruchten af. Hij was net zestien toen hij zijn eerste onderwijsbevoegdheid haalde. Meteen daarop werd hij aangesteld als ondermeester in Sluis. In de jaren daarna behaalde hij in razend tempo allerlei aktes: uiteindelijk was hij bevoegd in Frans, wiskunde, Engels, Duits, natuurkunde en landbouwkunde. Op eigen houtje bekwaamde hij zich bovendien in het Latijn en Gotisch, terwijl het Middelnederlands in hem ‘eene priester vol van de warmste geestdrift’ vond.9 Vanaf mei 1854 was Van Dale hoofdonderwijzer aan de openbare school te Sluis, vanaf oktober 1855 tevens stadsarchivaris.

In 1852 verscheen zijn eerste boek: Honderd opstellen ter verbetering, een simpel ‘boekske’, zoals hij het zelf noemde10, voor de hoogste klas van de volksschool. In de jaren daarna publiceerde hij ruim twintig andere boeken: merendeels werken over de geschiedenis van Sluis of Zeeuws-Vlaanderen, en schoolboeken over zuiver schrijven, zinsontleding en spraakkunst. Hoewel weinig vernieuwend, werden die schoolboeken door het hele land gebruikt, sommige zelfs tot in het eerste kwart van deze eeuw.11

Daarnaast publiceerde Van Dale honderden artikelen. Eerst vooral over historische en oudheidkundige onderwerpen, maar vanaf 1861 in toenemende mate over taalkunde. Het rijke archief van Sluis, dat hij als eerste inventariseerde, vormde daarbij een goudmijn. De artikelen verschenen in gerenommeerde tijdschriften als De Taalgids, de Taal- en Letterbode, De Toekomst en De Navorscher. En natuurlijk in Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, een tijdschrift dat Van Dale samen met zijn vriend H.Q. Janssen redigeerde en dat verscheen tussen 1856 en 1863. In de ‘Lijst der werken van J.H. van Dale’ die Manhave als bijvoegsel opnam in het Nieuw Woordenboek, staan zelfs de pietluttigste publicaties vermeld 12, maar desondanks blijft het indrukwekkend dat deze opsomming ruim twintig pagina’s in beslag neemt!

Tussen de bedrijven door zag de ijverige schoolmeester kans om bij zijn vrouw Maria Jacoba Moens (1829-1891), met wie hij in 1850 trouwde, zeven kinderen te verwekken, van wie er slechts drie hem overleefden. Vermeldenswaard is dat Van Dale vier keer een zoon kreeg, die hij telkens Johan Hendrik noemde; drie stierven voor hun vierde levensjaar, maar vanaf 1863 telde de wereld een tijdlang twee Johan Hendrik van Dale’s. 13

Ondanks zijn intellectuele prestaties bleef Van Dale buitengewoon bescheiden. Vooral Manhave en Janssen lijken eerder de goedheiligman voor ogen te hebben dan iemand van vlees en bloed, als zij Van Dale beschrijven als: schrander, veelzijdig, edel, een dankbaar mens, een uitstekend man, goedhartig, vriendelijk, een wijze en beminde leidsman, aller vriend en raadsman, geleerd, onuitputtelijk dienstvaardig, onbegrensd gedienstig, eenvoudig en bovenal ongeveinsd bescheiden en nederig! 14

Eerste lexicografische werk

Door zijn talrijke taalkundige publicaties kwam Van Dale in contact met enkele van de voornaamste taalgeleerden van zijn tijd. Hij correspondeerde en was bevriend met onder anderen Matthias de Vries, Lambert Allard te Winkel en met de Rotterdamse taalgeleerde Arie de Jager. 15

Het was op aanbeveling van Arie de Jager dat Van Dale in 1866 door uitgever A. ter Gunne uit Deventer werd benaderd voor zijn eerste lexicografische opdracht: de bewerking van het Taalkundig handboekje, of alphabetische lijst van alle Nederlandsche woorden, die wegens spelling of taalkundig gebruik aan eenige bedenking onderhevig zijn. Deze woordenlijst moest worden aangepast aan de spelling die De Vries en Te Winkel niet lang daarvoor hadden opgesteld voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Het Taalkundig Handboekje verscheen in maart 1867. De recensies waren lovend, maar het lexicografische werk was Van Dale niet gemakkelijk afgegaan: ‘Is het corrigeeren van drukproeven in het algemeen een werk van inspanning’, zo schreef hij in het voorwoord, ‘het nazien van de proefbladen van eene woordenlijst mag inderdaad afmattend heeten; ’t vordert al de inspanning van den geest, maar juist om dien spoediger te verstompen, waardoor zoo licht eene verkeerde letter aan de foutenjacht ontkomt.’ 16

Het nieuw woordenboek

Vier maanden na het verschijnen van het Taalkundig Handboekje, in juli 1867, had Van Dale in Middelburg een bespreking met de Arnhemse uitgever D.A. Thieme.17 In maart van dat jaar had Thieme, mede namens zijn collega-uitgevers Martinus Nijhoff uit Den Haag en A.W. Sijthoff uit Leiden, op een veiling van ongebonden boeken in Amsterdam 290 onverkochte exemplaren gekocht van het Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal, inclusief de rechten.18 Dit woordenboek – nu bekend als de eerste druk van Van Dale – was samengesteld door de zwagers I.M. Calisch (1808-1885) en N.S. Calisch (1819-1891) en was tussen 1861 en 1864 verschenen bij H.C.A. Campagne te Tiel. Waarom Campagne, die zeer veel woordenboeken in zijn fonds had en die ook bleef uitgeven, zijn nieuwste uitgave krap drie jaar na voltooiing afstootte, is niet bekend. Maar waarschijnlijk heeft zich een spontane kopersstaking voorgedaan omdat vrijwel gelijktijdig met het gereedkomen van het woordenboek, de spelling De Vries en Te Winkel werd gepresenteerd, die al snel algemeen werd aanvaard.19

Hoe het ook zij, Van Dale werd door uitgever Thieme gevraagd om het Nieuw Woordenboek te bewerken. Thieme vroeg hem bij die zelfde gelegenheid om redacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal te worden, een buitengewoon eervol aanbod dat Van Dale na ‘pijnlijke en gespannen beraadslagingen20 afsloeg, de eerste keer vanwege het ontbreken van waarborgen met betrekking tot jaarwedde en pensioen, maar bij een tweede verzoek, dat in 1870 volgde, omdat hij niet kon besluiten zijn geliefde Sluis te verlaten – een beslissing die in alle levensbeschrijvingen breed wordt uitgemeten en soms zelfs heroïsche proporties krijgt. 21

Toch was het niet alleen vanwege zijn verknochtheid aan zijn geboortedorp dat Van Dale het aanbod afsloeg om redacteur te worden van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Direct na het overlijden van Van Dale komt Matthias de Vries – ‘de vader van het WNT’ – kort op deze kwestie terug. Ook hij noemt de grote gehechtheid aan Sluis, maar als eerste reden voor Van Dale’s besluit om zijn werkzaamheden in de verste uithoek van Zeeuws-Vlaanderen niet in te ruilen voor een full-time betrekking als lexicograaf in Leiden, noemt hij iets heel anders: ‘Hij huiverde voor die taak terug, hoezeer hij met den arbeid was ingenomen.’22

Die huiver voelde Van Dale blijkbaar niet met betrekking tot de bewerking van het Nieuw Woordenboek en meteen na het onderhoud met Thieme ging hij aan de slag. Hij had dan ook bergen werk te verzetten. Hoewel de zwagers Calisch daar in hun voorwoord geen melding van maken, baseerden zij zich in sterke mate op het tussen 1843 en 1846 verschenen Nederlands-Franse woordenboek van S.J.M. van Moock. Van Moock leunde op zijn beurt weer zwaar op de achttiende-eeuwse Frans-Nederlandse woordenboeken van P. Marin en vooral van F. Halma, later door Kruyskamp de ‘directe voorvader van Van Dale’ genoemd.23

Toen Van Dale na anderhalf jaar besefte dat hij het woordenboek alleen nooit af zou krijgen, riep hij de hulp in van zijn leerling Jan Manhave (1850-1927). Die had hem al eerder bijgestaan bij de correctie van drukproeven, maar vanaf februari 1869 besteedde de toen 19-jarige leerling dagelijks een paar uur aan het bewerken van de door Van Dale geschreven kopij.

Drie jaar lang werkten leerling en meester samen. Van Dale besteedde, in de woorden van dominee Janssen, ‘ongelooflijke moeite’ aan dit ‘reuzenwerk’.24 Hij corrigeerde de spelling, vulde de vreemde woorden aan, voorzag begrippen met betrekking tot landbouw en natuur van uitgebreide verklaringen, nam inlandse plantennamen op en een groot aantal scheikundige begrippen. Hij bracht naar eigen zeggen ‘ontelbare verbeteringen’ aan, plaatste bij germanismen een waarschuwing en voorzag talloze woorden van etymologische en geschiedkundige aantekeningen. Bij dit alles maakte hij onder andere gebruik van de eerste afleveringen van het WNT, van de Woordenlijst van De Vries en Te Winkel, van de woordenboeken van Jacob Kramers, D. Bomhoff en J.F.J. Heremans en van gespecialiseerde naslagwerken. Zijn ‘hooggeschatten vriend’ Matthias de Vries wordt in het voorwoord innig bedankt voor de schriftelijke hulp bij kwesties waar Van Dale niet uitkwam.

In 1983 berekende P.G.J. van Sterkenburg dat de Sluise lexicograaf het Nieuw Woordenboek in vijf jaar tijd met ruim 18.000 woorden vermeerderde, waardoor het totaal op zo’n 106.000 kwam.25 Ter vergelijking: in de acht jaar tussen 1984 en 1992 werd de twaalfde druk van de Grote Van Dale uitgebreid met ruim 12.000 begrippen. Maar dan wel door een flinke redactie, volledig geautomatiseerd en onder leiding van twee hoofdredacteuren.

In februari 1872 verscheen de eerste aflevering van het Nieuw Woordenboek, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de volgende vier – tot halverwege het trefwoord nonnenaap. Tegelijkertijd verscheen in vrijwel alle Nederlandse kranten26 een forse advertentie waarin Thieme, Nijhoff en Sijthoff hun ‘uitmuntende uitgave’ aanprezen. De druk was ‘zeer compres’ gehouden, schreven ze, om zo op één pagina de inhoud van vier gewone bladzijden te krijgen. Om de prijs laag te houden (ƒ 5,50) en aan de verwachte vraag tegemoet te komen, was de oplage enorm: tienduizend exemplaren!

Het Nieuw Woordenboek verscheen in de jaren daarna met drie verschillende titelpagina’s, niet met twee, zoals zo vaak wordt gedacht. Op de oudste stond nog met forse letters ‘2e druk’, maar dat hebben de uitgevers verwijderd, waarschijnlijk uit commerciële overwegingen.27

Uit het Voorbericht wordt duidelijk hoezeer het lexicografische werk Van Dale was tegengevallen. ‘Het schrijven van een Woordenboek is een ondankbaar, een verdrietig werk. Is er veel, dat men heeft opgenomen en verbeterd, er is nog veel meer, dat men vergeten heeft, dat de aandacht ontsnapt is en alzoo onverbeterd is gebleven. Verzekerde mij een mijner letterkundige vrienden, dat hij, die zijn vader en moeder vermoord heeft, nog te goed was om een Woordenboek te schrijven, ik heb mijzelven vaak twijfelmoedig de vraag gedaan, of hij wel volkomen ongelijk had.’28 Tegen zijn vriend Janssen zei hij zelfs verschillende keren, dat wat hij ook nog in zijn leven zou gaan doen, ‘hij zich nimmermeer zou leenen tot het schrijven van eenig woordenboek.’29

Beoordelingen

In de vele publicaties over Van Dale is nooit aandacht besteed aan de ontvangst van zijn woordenboek, zelfs niet in de paar wetenschappelijke. Gezien de huidige bekendheid van het woordenboek is het niet verrassend dat de recensies zeer lovend waren. Zo schreef De Wekker. Weekblad voor onderwijs en schoolwezen op 16 februari 1872, kort na verschijning van de eerste afleveringen: ‘Wij kunnen ieder, die steeds op schrijftafel of boekenhanger een goed raadsman bij zich wil hebben, die hem steeds duidelijk en goed zegt hoe de woorden in onze taal geschreven moeten worden, niet genoeg aanraden dat zij op dit Woordenboek inteekenen. Het is een boek dat in het gezin van elk beschaafd Nederlander moet gevonden worden.’ En toen het woordenboek eenmaal voltooid was, schreef hetzelfde weekblad: ‘Eenparig is men in den lof dat Van Dale zich [met dit woordenboek] een eerzuil gesticht heeft, waardoor zijn naam alleen reeds onder ons volk zou blijven leven, al had hij ook niets anders geleverd. [...] Wij bevelen het werk [...] ten krachtigste aan. Het behoort in alle scholen gevonden te worden.’30

Carel Vosmaer noemde het woordenboek op 20 april 1872 in De Nederlandsche Spectator gemakkelijk en handig. ‘Het geeft antwoord op bijna alle vragen [...]. In één woord, het is dat noodige boekje dat op ieders schrijftafel behoort.’ Ook de Rotterdamse taalgeleerde Arie de Jager was vol lof. In april 1873 schreef hij in het maandblad De Tijdspiegel: ‘Van Dales laatste arbeid, het Nieuw Woordenboek, is een proefstuk van moed en geduld, een gedenkstuk van ijver en bekwaamheid. Het munt, ook uit hoofde van de opneming van kunst- en basterdwoorden, uit door volledigheid, gepaard met beknoptheid en nauwkeurigheid. [...] Zoo ooit een werk van dezen aard onmisbaar mag genoemd worden, het is in den tegenwoordigen tijd dit Nieuw Woordenboek.’

Nog laaiender, zo mogelijk, was Onze Tolk. Op 6 september 1872 schreef dit letterkundig nieuwsblad: ‘Van Dale’s Nieuw Woordenboek zal van nu af, wij twijfelen er niet aan, de gids, de vraagbaak, de practische en daarom onmisbare vriend zijn zoowel in de huiskamer als in het studeervertrek en in de school; het zal op ieder koopmanskantoor even goed aanwezig zijn als op het boekenrekje van den rentenier, wiens hoofdbezigheid bestaat in het lezen van couranten. Ja, wie zou de Nederlandsche jongedochters van zoo weinig belangstelling in den behoorlijken vorm van haar briefwisseling verdenken, om niet te durven beweren, dat het Nieuw Woordenboek ook een plaats zal innemen onder de fraaie bandjes, die haar kamer versieren? [...] In ieder opzicht kan van Dale’s Nieuw Woordenboek worden aanbevolen.’

Reactie in Vlaanderen

Het is niet verwonderlijk dat men ook in Vlaanderen met veel belangstelling naar het woordenboek van Van Dale had uitgezien. Door de afscheiding van de Zuidelijke Nederlanden in 1830 dreigde het Nederlands in Vlaanderen ten onder te gaan. Het Frans was de officiële taal. De Vlaamse letterkundigen hadden behoefte aan een goed Nederlands woordenboek, maar het WNT, waar zij zich sinds 1849 op de Taal- en Letterkundige congressen zo sterk voor hadden ingezet, vorderde langzamer dan wie ook had voorzien. Van Dale woonde pal op de grens tussen Nederland en België. Hij publiceerde in het Vlaamse tijdschrift De Toekomst en was lid van zes wetenschappelijke genootschappen in België, waaronder de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde ‘De taal is gansch het volk’ te Gent.31 Bovendien had hij een warme belangstelling voor het Vlaamsche dialect.32 Hij verrijkte zijn woordenboek dan ook met allerlei Zuidnederlandse woorden.

Dat bleef in België niet onopgemerkt. ‘De geleerde hoofdonderwijzer van Sluis is inderdaad, als weinige in Noordnederland’, schreef de Vlaamse dichter Frans de Cort – een vriend van Van Dale – begin 1872 in het Leuvense tijdschrift De Toekomst, ‘met ons taaleigen bekend, derhalve uitmuntend voor de taak berekend, een algemeen Nederlandsch lexicon voor den dag te brengen, dat hier evengoed als ginder zou kunnen gebruikt worden.’33 In 1874 retourneerde J.F.J. Heremans, hoogleraar te Gent, postuum het compliment dat hij van Van Dale in diens voorwoord gekregen had. ‘Wat het Nieuw Nederlandsch Woordenboek van J.H. van Dale vooral aanbevelenswaardig maakt’, aldus Heremans in het Nederlandsch Museum, ‘is dat de Zuidnederlandsche dialecten [...] hier zeer goed zijn vertegenwoordigd. Van Dale, die op de grenzen van Noord en Zuid woonde, was juist de man, om zonder vooroordeel uit beide groote afdeelingen onzer taal op te teekenen wat hij dacht in een algemeen Nederlandsch Woordenboek eene plaats te verdienen.’34

Kritiek

Natuurlijk was er ook kritiek. Carel Vosmaer stuitte op ‘eenige onvolkomen verklaarde woorden’ en vond dat Van Dale betere definities had kunnen geven voor termen op het gebied van de rechtskunde, de bouw- en schilderkunst. De recensent van De Wekker miste verschillende woorden en uitdrukkingen en Frans de Cort was van mening dat Van Dale te veel bastaardwoorden had opgenomen.

Fundamenteler was de kritiek van Arie de Jager. Van Dale had de afleveringen van het WNT die te laat waren verschenen om direct te gebruiken in het woordenboek, verwerkt in een bijvoegsel. Dit bijvoegsel liep van afleeren tot afstreven, een traject dat in het eigenlijke woordenboek tien bladzijden in beslag neemt. Het aanhangsel telde echter precies zestig pagina’s en De Jager was van mening dat Van Dale hiermee helemaal de verkeerde weg was ingeslagen. Een dergelijk lexicografisch waterhoofd maakte inbreuk op de eenheid van het werk, schreef hij in 1874 in De Tijdspiegel. Zou het hele woordenboek zo worden aangevuld, dan zou het zes maal zo dik worden, berekende hij. Dat stond haaks op het voornaamste voordeel van dit werk: de beknoptheid en bruikbaarheid.35

Lijkstoet

Van Dale voelde zich gesterkt door de ‘hoogste ingenomenheid’ die uit de meeste recensies sprak. ‘Dit spoorde ons aan’, schreef Manhave later, ‘om aan het onafgedrukte gedeelte nog meer zorg te besteden. Geen tijd of moeite werd ontzien om het zoo volledig, zoo degelijk mogelijk te maken. Jammer, dat hij de vreugde over die ingenomenheid niet lang overleven mocht.’36

En inderdaad, twee maanden na het verschijnen van de eerste helft van het woordenboek werd Van Dale ten grave gedragen. Door het grote besmettingsgevaar werd zijn stoffelijk overschot slechts gevolgd ‘door enkelen, voor wie innige verknochtheid of strenge plicht een onweerstaanbare prikkel waren geweest om zich aan te sluiten aan zijn lijkstoet’, zo schreef een diep bedroefde Janssen een paar dagen na de begrafenis.37 Deze gebrekkige opkomst werd echter goedgemaakt door de grote aandacht in de pers. Matthias de Vries schreef een bericht in het Leidsch Dagblad, dat werd overgenomen in het Algemeen Handelsblad, De Toekomst en De Wekker, en ook Het Vaderland en De Nederlandsche Spectator plaatsten korte berichten over het verscheiden van de ‘verdienstelijken, eenvoudigen en beminnelijken geleerde’.38

In september, op het twaalfde Taal- en Letterkundig congres te Middelburg, een congres waar Van Dale zo graag naar toe had gewild, voegde Arie de Jager hier nog een hulde aan toe, waarbij hij vooral stilstond bij de taalkundige verdiensten van Van Dale. ‘Ieder, die zijnen arbeid in dit opzicht heeft kunnen gadeslaan’, aldus De Jager, wiens woorden op ‘levendige toejuichingen’ werden onthaald, ‘zal erkennen, dat hij een man was van echte wetenschap; wat in mijn oog des te verdienstelijker is, daar hij zich zelven geheel alleen heeft gevormd. In hem heeft onze taalkunde – dat hij met nuttige leerboeken, met veel kleine hier en daar verspreide bijdragen, en ten laatste met een voortreffelijk (nog niet geheel afgewerkt) nieuw woordenboek heeft verrijkt – een groot verlies geleden.’39

Manhave

Dat de naam Van Dale vandaag de dag zo’n bekendheid geniet, dankt de schoolmeester uit Sluis vooral aan twee mensen: aan de Leidse lexicograaf C.H.A Kruyskamp en aan Jan Manhave. De verdiensten van Cornelis Kruyskamp, die de zevende (1950), achtste (1961) negende (1970) en tiende (1976) druk van dit woordenboek bewerkte, zijn onderkend. In het voorwoord van de twaalfde druk heet het zelfs: ‘Het is niet overdreven te zeggen dat hij de Grote Van Dale gemaakt heeft tot wat het nu is.’

Jan Manhave daarentegen is geheel in vergetelheid geraakt. Toch was hij het die de zware taak op zich nam om het Nieuw Woordenboek te voltooien. Toen Van Dale stierf, was zijn woordenboek in handschrift tot en met de y gereed. Hij was echter gewoon om in de drukproeven nog van alles te verbeteren en toe te voegen. Manhave, toen pas 21 jaar oud, merkte dat dit niet zonder reden was. Nog anderhalf jaar ploeterde hij voort, op afstand geholpen door Matthias de Vries. Hij bracht zoveel correcties en aanvullingen aan ‘dat de eerste proeven zelfs nog op kopij geleken’, zo schreef hij.40 Toch was het woordenboek in maart 1874 gereed, slechts een jaar later dan oorspronkelijk gepland.

Terecht hebben nazaten nog in 1978 geprobeerd om erkenning te krijgen voor de belangrijke rol die Manhave heeft gespeeld.41 Zonder zijn inzet zou Sluis nu hoogstwaarschijnlijk geen Van Dale-school hebben gehad, geen Van Dalestraat, geen kleuterschool die zich ‘De Vandaaltjes’ noemt en stellig geen hotel ‘De Dikke van Dale’ (‘waar gastvrij van a tot z een begrip is’). Ook het standbeeld van de lexicograaf zou zonder twijfel hebben ontbroken.

Het was bij de onthulling van dit standbeeld, in september 1924, dat de Utrechtse hoogleraar C.G.N. de Vooys het eerlijkste oordeel velde dat tot nu over Van Dale is uitgesproken. Ten overstaan van een kleinzoon, twee nichten van Van Dale en een grote groep geleerden en hoogwaardigheidsbekleders uit het hele land zei hij: ‘Een taalgeleerde van den eersten rang is hij niet geweest, wel een scherpzinnig en verdienstelijk werker, een voorbeeld van vlijt en toewijding aan de wetenschap...’42 De grote afwezige bij deze plechtigheid was Jan Manhave, toen redacteur van Het Vaderland.43 Toch zou Van Dale zonder hem niet veel meer geweest zijn dan een man die een half woordenboek samenstelde – gedoemd tot vergetelheid.

NOTEN

1. Dat laatste detail ontleen ik aan het trefwoord ‘pokken’ uit de Geïllustreerde Encyclopaedie van A. Winkler Prins (Amsterdam 1873), deel XII p. 34. Voor het overige zijn de gegevens over het sterfbed van Van Dale ontleend aan de twee voornaamste bronnen over zijn leven: H.Q. Janssen, ‘Levensberigt van Johan Hendrik van Dale’ in: Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde (Leiden 1873) p. 37-49 en J. Manhave, ‘Nabericht’ in: J.H. van Dale, Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal (1872) p. I-VIII. De levensschets van Manhave is in extenso gereproduceerd in P.G.J. van Sterkenburg Johan Hendrik van Dale en zijn opvolgers (Utrecht 1983). (terug naar de tekst)

2. Leidsch Dagblad, zoals geciteerd in o.a. het Algemeen Handelsblad 23 mei 1872. Hoewel niet gesigneerd, is dit bericht zonder twijfel geschreven door Matthias de Vries. De Vries schreef voor het Leidsch Dagblad verschillende ongesigneerde berichten over overleden taalkundigen, zoals blijkt uit de bibliografie die volgt op het ‘Levensbericht van Matthias de Vries’ van A. Kluyver, opgenomen in Levensberichten van afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1893 p. 99-108. (terug naar de tekst)

3. Manhave, Nabericht p. VII. Het blijft een raadsel dat juist Van Dale door de pokken werd geveld. De koepok-inenting was in zijn tijd verplicht voor onderwijzers. Volgens de zesde druk van de Winkler Prins (1949, deel VI, p. 647) was Van Dale juist ‘buitengewoon zorgzaam voor zichzelf bij de toen fel heersende pokken’. Waar deze mededeling op berust is niet duidelijk. Waarschijnlijk op de mondelinge overlevering die ook te vinden is in Van Sterkenburg 1983 p. 39: ‘Als [Van Dale] in ‘t oude Sluis der vorige eeuw een huis voorbij moest gaan waar een besmettelijke ziekte heerste, stak hij zijn paraplu op. (...) Toen zijn moeder in mei 1828 zijn geboorte tegemoet zag, woonden zijn ouders in Eeklo (Oost-Vlaanderen). Maar zij vluchtten naar Sluis, omdat toen in Eeklo... de pokken heersten.’ Van Sterkenburg citeert hier G.J. van Oorschot, gepensioneerd hoofd van de Van Dale-school. Van Oorschot beschreef deze ‘legende’ eerder in ‘Johan Hendrik van Dale 1828-1872. Een eenzame op de voorpost van Noord-Nederlands beschavingsgebied’ in: Zeeuws Tijdschrift 1956 p. 69-70. (terug naar de tekst)

4. In het voorbericht bij J.H. van Dale, Beknopte Nederlandsche Spraakkunst (Schoonhoven 1872). Drie maanden na Van Dale’s dood bezorgde Manhave de vijfde verbeterde druk van dit schoolboekje. Hij bracht er een ontroerende ode aan zijn ‘ontslapen vriend en leermeester’. In oktober 1872 bezorgde hij bovendien een herdruk van Zinsontleding – dit alles tijdens zijn drukke werkzaamheden aan het Nieuw Woordenboek. (terug naar de tekst)

5. Janssen, Levensberigt p. 41. (terug naar de tekst)

6. Manhave, Nabericht p. IV. (terug naar de tekst)

7. Idem, p. II. (terug naar de tekst)

8. Aldus certificaat nr. 1267 van de Nationale Militie van de Provincie Zeeland, gedateerd 17 oktober 1850. Van Dale kreeg op deze datum ‘finale’ vrijstelling voor dienst bij de Nationale Militie vanwege ‘de volbragte dienst eens broeders’. Over de vraag of het borstbeeld in Sluis zijn voorkomen treffend weergeeft, ontspon zich meteen na de onthulling, op 3 september 1924, een discussie. Volgens de Ter Neuzensche Courant van die dag was de beeltenis van ‘den grooten werker en vorscher’ zeer goed gelijkend. Twee dagen later kwam de krant hier echter op terug: ‘Wij zijn onbevoegd te oordelen of het juist is, wat ouden van dagen zeiden, dat den schrijver en schoolmeester, met te dikke wangen is weer gegeven, maar meenden deze opmerking toch te moeten vermelden. Maar tevens dan ook, dat men overigens, algemeen het borstbeeld roemden en zij, die Van Dale gekend hebben, de gelijkenis overigens zeer prezen.’ (terug naar de tekst)

9. Janssen, Levensberigt p. 44. (terug naar de tekst)

10. Van Dale schrijft dit in het voorwoord van de tweede, verbeterde druk, in 1866 verschenen bij S.E. van Nooten in Schoonhoven. (terug naar de tekst)

11. Van Dale ontleende veel van het materiaal van zijn schoolboekjes aan de boeken van de Utrechtse hoogleraar W.G. Brill. Zie hierover G.R.W. Dibbets ‘Johan Hendrik van Dale en de Nederlandse spraakkunst’, in: H. Heestermans (red.) Opstellen door vrienden en vakgenoten aangeboden aan Dr. C.H.A. Kruyskamp (Den Haag 1977) p. 52-62. Specifiek over Van Dale’s boekje Zinsontleding (1868) schrijft J.A. le Loux-Schuringa in Samenhangrelaties in de 19e-eeuwse zinsgrammatica in Nederland (Dordrecht 1985) p. 83-88. Dat de schoolboekjes van Van Dale tot in deze eeuw werden gebruikt ontleen ik aan de Ter Neuzensche Courant van 3 september 1924. (terug naar de tekst)

12. Terecht omschreef A. de Jager deze bibliografie in augustus 1874 in De Tijdspiegel (p. 421) als ‘eene tot in de minste bijzonderheden afdalende Lijst der werken’. (terug naar de tekst)

13. Johan Hendrik junior bracht het uiteindelijk tot directeur-geneesheer van een psychiatrische inrichting in Ermelo en stierf in 1949, 86 jaar oud – bijna twee keer zo oud als zijn beroemde vader. Deze gegevens zijn gebaseerd op een eenvoudig genealogisch overzicht dat aanwezig is in het archief van uitgeverij Van Dale Lexicografie. (terug naar de tekst)

14. Anthonie Winkler Prins vatte het in 1873 in zijn encyclopedie (deel VI p. 31) als volgt samen: ‘Om kundigheden en karakter verwierf [Van Dale] de toegenegenheid van allen, die met hem in aanraking kwamen.’ (terug naar de tekst)

15. Deze vriendschappen waren wederzijds. In diverse voorwoorden en tijdschriftartikelen spreken de genoemde personen elkaar aan met ‘hooggeschatten’ of ‘hooggeachte vriend’. Zoals De Vooys volgens de Ter Neuzensche Courant van 3 september 1924 al opmerkte tijdens de onthulling van het standbeeld, zal het Van Dale vooral met trots hebben vervuld dat hij de Leidse hoogleraar Matthias de Vries zijn vriend mocht noemen. Op zijn beurt eindigde De Vries het voorwoord bij de tweede druk van de Woordenlijst, gedagtekend 8 april 1872, met een oprechte dankbetuiging aan zijn ‘vrienden’ E. Verwijs, W. Bisschop en J.H. van Dale. Van Dale was verder ook bevriend met J.A. van Dijk, eindredacteur van de Taalgids. Van Dijk schreef in 1865 in De Taalgids een recensie waarin hij Van Dale betrapte op ‘eene erge fout’, een beoordeling die Van Dale in het daaropvolgende nummer uitvoerig weerlegde (zie De Taalgids 1865: 161-168 en 67-72). (terug naar de tekst)

16. Dat Van Dale op aanraden van De Jager door uitgever Ter Gunne werd benaderd blijkt uit het voorwoord bij de derde druk van het Taalkundig Handboekje (1867). Lovende recensies zijn o.a. te vinden in het tijdschrift Huis-Bibliotheek (1867, derde deel p. 363-364) en in Het Leeskabinet (1867, derde deel p. 224). De publicatie van het Taalkundig Handboekje markeert een merkwaardige episode in de geschiedenis van de Nederlandse spelling, zoals ook Dibbets al aanstipt in a.w. blz. 61, noot 10. Arie de Jager had in 1856 de tweede druk van deze woordenlijst verzorgd. Omdat hij aanvankelijk een verklaard tegenstander was van de spelling van het WNT, weigerde hij echter het boekje volgens de richtlijnen van De Vries en Te Winkel te bewerken. Hij publiceerde vervolgens wel een eigen Taalkundig Handboekje, waarbij hij de spelling volgde van de Nieuwe Statenvertaling, een door hem opgestelde spelling die op een paar hoofdpunten van die van het WNT afwijkt. Het gevolg was dat er in 1867 kort na elkaar twee versies verschenen van het Taalkundig Handboekje, met een identieke titel en ondertitel (het verschil wordt slechts duidelijk uit de 2e ondertitel), beide met de aanduiding ‘derde druk’ en beide uitgegeven door uitgeverij A. ter Gunne. A. de Jager ging zelfs zover om in De Tijdspiegel van 1868 (p. 21) het Taalkundig Handboekje van Van Dale te bespreken, waarbij hij de ‘bekwame en ijverige onderwijzer’ verweet dat hij de spelling De Vries en Te Winkel te nauw had gevolgd. Opmerkelijk genoeg is niets van dit alles terug te vinden in het zeer recent verschenen overzichtswerk van G.C. Molewijk, Spellingverandering van zin naar onzin (Den Haag 1992). (terug naar de tekst)

17. Manhave, Nabericht p. IV. (terug naar de tekst)

18. Deze veiling vond plaats op 20 maart 1867. Thieme kocht de titel voor fl. 2,31. Voor de hele partij van negentig gebonden exemplaren en 200 ongebonden exemplaren betaalde hij fl. 669,90. Deze gegevens zijn te vinden in de geannoteerde versie van de Katalogus van ongebonden boeken bestaande uit vele belangrijke fondsartikelen. Verkocht te Amsterdam, door de weduwe J.C. Kesteren & Zoon, H.J. van Kesteren en J.W. Schleijer, aanwezig op de Bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels in Amsterdam. (terug naar de tekst)

19. De zwagers Calisch hanteerden de uit 1804 daterende spelling Siegenbeek. Waar nodig vermeldden zij bovendien de spelling die Bilderdijk vanaf omstreeks 1820 propageerde. In 1863, toen het woordenboek voor driekwart was voltooid, publiceerden M. de Vries en L.A. te Winkel hun ontwerp voor een nieuwe spelling, in 1866 gevolgd door de Woordenlijst. In België werd de spelling De Vries en Te Winkel al in 1864 verplicht gesteld. In Nederland verliep de opmars zo snel dat in 1870 de verplichting de spelling Siegenbeek te onderwijzen werd ingetrokken. Men zou de oplage en de verkoopcijfers van het Nieuw Woordenboek moeten weten om precies de invloed van deze spellingsherziening op de verkoop te kunnen meten, maar helaas ontbreken deze gegevens. Wel is het opmerkelijk dat de oudste van de drie titelpagina’s van de door Van Dale bewerkte druk vermeldt: ‘2e druk. Verbeterd, vermeerderd en met de spelling van het Woordenboek der Nederlandsche taal in overeenstemming gebracht.’ Ook een recensie in De Wekker van 16 februari 1872 doet vermoeden dat de spellingsherziening fnuikend is geweest voor het woordenboek van de zwagers Calisch: het woordenboek van Van Dale, aldus dit weekblad, ‘is eigenlijk eene met de meeste zorg bewerkte nieuwe uitgave van het Woordenboek van Calisch, dat niet meer aan de eischen van dezen tijd beantwoordde.’ Overigens wil de ironie dat de zevende druk van Van Dale (1950) voor driekwart gereed was, toen op 1 mei 1947 opnieuw de spelling werd gewijzigd. ‘Deze verandering van koers bracht dus heel wat en weinig verkwikkelijke arbeid mee’, heet het in het voorwoord. (terug naar de tekst)

20. Janssen, Levensberigt p. 45. (terug naar de tekst)

21. Zo schreef P.J. Meertens, zelf een Zeeuw, op 22 mei 1922, precies 50 jaar na de dood van Van Dale, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant: ‘De schitterendste en voordeeligste aanbiedingen, hem door de redactie van het Woordenboek der Nederlandsche Taal gedaan, konden hem niet bewegen zich ergens anders te vestigen dan in het kleine stadje in den zuidwestelijken uithoek van Nederland, waar hij geboren was. (...) Met de eigenaardige aanhankelijkheid aan den geboortegrond, die zoo kenmerkend is voor vele Zeeuwen, weigerde hij zich in Holland te vestigen. Zijn eenvoudige betrekking in het kleine en afgelegen Sluis was hem liever dan een eervol ambt buiten de grenzen van zijn geboortestad.’ Naar aanleiding van dit artikel ontstond bij de Zeeuwsch-Vlaamse Studentenvereeniging het plan om een standbeeld voor Van Dale op te richten, zo blijkt uit de Ter Neuzensche Courant van 3 september 1924. Opmerkelijk genoeg ontbreekt dit feit in het gedetailleerde artikel van A.M.F.J. Moerdijk ‘Standbeeld voor een lexicograaf’ in: Jaarboek van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie, 1984 p. 47-61. (terug naar de tekst)

22. Overlijdensbericht van Matthias de Vries in het Leidsch Dagblad, zoals geciteerd in o.a. het Algemeen Handelsblad van 23 mei 1872. De Vries verzuimt hier om de belangrijkste reden te noemen, waarschijnlijk omdat hij daar zelf niet zo’n fraaie rol in speelde. Zie mijn bijdrage elders in deze bundelm, getiteld ‘Waarom zei Van Dale nee tegen het WNT?’ (terug naar de tekst)

23. Voorrede zevende druk (1950) Van Dale’s Nieuw Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal, p. VII. Hoezeer Van Moock schatplichtig was aan Halma en Marin is overtuigend aangetoond door P.G.J. van Sterkenburg (1983) p. 17 e.v. (terug naar de tekst)

24. Janssen, Levensberigt p. 46. Nog in 1924 vond H.M. Kerpenstein, het toenmalige hoofd van de openbare school in Sluis, het nodig de geruchten te ontzenuwen dat Van Dale tijdens het werk aan het woordenboek zijn school zou hebben verwaarloosd. Kerpenstein zei dit ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld voor Van Dale, waar hij sprak over de pedagogische kwaliteiten van zijn voorganger. De geruchten werden later nieuw leven ingeblazen door G.J. van Oorschot, gepensioneerd hoofd van de J.H. Van Daleschool te Sluis. Hij wordt aangehaald in Van Sterkenburg (1983 p. 39) en in Het Belang van Limburg van 17 juli 1989. H.Q. Janssen schreef over de curieuze kwestie in zijn Levensberigt (p. 40): ‘Hoezeer ook van toen af [vanaf ong. 1855; ES] vooral Van Dale’s roem als geschied- en taalkundige aanvangt en hij zich als zoodanig met bijzondere voorliefde trachtte te bekwamen, verre is ‘t er nogtans van daan, dat hij daarom de belangen zijner school verwaarloosde of zijne ziel aftrok van het onderwijs. Integendeel...’ (terug naar de tekst)

25. Van Sterkenburg (1983) p. 25. (terug naar de tekst)

26. Aldus Van Sterkenburg (1983) p. 79. (terug naar de tekst)

27. Op de oudste titelpagina, gedateerd 1872, staat met forse letters: ‘2e druk’ en de al in noot 19 aangehaalde zin: ‘Verbeterd, vermeerderd en met de spelling van het Woordenboek der Nederlandsche taal in overeenstemming gebracht’. In de inhoudsopgave is sprake van ‘een groot aantal kunstwoorden’ in plaats van ‘de meeste kunstwoorden’. De derde titelpagina wijkt alleen af van de tweede door het jaartal, 1874, en door de zin: door J. H. van Dale, in leven Hoofdonderwijzer en Archivaris te Sluis. Het verwijderen van de aanwijzing ‘2e druk’ van de oudste titelpagina heeft later voor nogal wat verwarring gezorgd. (terug naar de tekst)

28. Voorbericht p. VIII. (terug naar de tekst)

29. Janssen, Levensberigt p. 47. (terug naar de tekst)

30. De Wekker 28 okt 1874. (terug naar de tekst)

31. Voor een overzicht van deze genootschappen zie Janssen, Levensbericht, p. 48. (terug naar de tekst)

32. Zo schreef Van Dale in 1871 in De Toekomst (p. 507), in een boekbeoordeling van het Westvlaamsch Idioticon van L. de Bo: ‘Ik zal wel niemand behoeven te verzekeren, dat ik, woonachtig op de grenzen van Noord-Nederland, nabij dat van Vlaanderen, uit welks volksspraak, zoo nauw aan het oude Dietsch verwant, zooveel woorden in het Zeeuwschvlaams voortleven of daarin zijn opgenomen, zeer veel belang stel in elk Vlaams Idioticon.’ (terug naar de tekst)

33. De Toekomst 1872, p. 175. (terug naar de tekst)

34. Nederlandsch Museum 1874 p. 76-77. Van Dale spreekt in zijn voorbericht van ‘het voortreffelijke Nederlandsch-Fransch Woordenboek van den Hoogleraar Heremans, dat uitmunt door eene juiste en nauwkeurige opgave van de verschillende betekeenissen der woorden’. (terug naar de tekst)

35. De Tijdspiegel 1874 p. 421 e.v. (terug naar de tekst)

36. Manhave, Nabericht p. V. (terug naar de tekst)

37. H.Q. Janssen ‘Johan Hendrik van Dale’ in: De Toekomst 1872 p. 280. Janssen schreef dit ‘In Memoriam’ negen dagen na de dood van Van Dale en is nog emotioneler dan is zijn Levensberigt. (terug naar de tekst)

38. Geciteerd is De Nederlandsche Spectator van 25 mei 1872. Voor de overige overlijdensberichten zie Het Vaderland 22.5.1872; het Algemeen Handelsblad van 23 mei 1872, De Wekker van 24 mei 1872 en De Toekomst 1872 p. 264. Het is zeer opmerkelijk dat de dood van Van Dale zoveel aandacht kreeg in de pers en de dood van bijvoorbeeld Jacob Kramers zo weinig. De verklaring is waarschijnlijk dat Van Dale zich veel meer deed gelden in allerlei letterkundige en historische tijdschriften en genootschappen. Niet voor niets wordt hij in de necrologieën in de eerste plaats geroemd als taal- en letterkundige. Kramers beperkte zich vrijwel uitsluitend tot lexicografisch werk. (terug naar de tekst)

39. Handelingen van het XIIe Nederlandsch Taal- en Letterkundig congres, gehouden te Middelburg 3 tot 5 september 1872 (1873), p. 328. (terug naar de tekst)

40. Manhave, Nabericht p. VII. (terug naar de tekst)

41. Zie Van Sterkenburg (1983) p. 41 e.v. (terug naar de tekst)

42. Zoals geciteerd in het Algemeen Handelsblad van 4 september 1924. (terug naar de tekst)

43. Het verslag van de onthulling in de Ter Neuzensche Courant van 3 en 5 september 1922 is buitengewoon gedetailleerd. Zo komen we zelfs te weten wat de vrouw van het maker van het standbeeld voor kleren droeg. Een van de sprekers richtte zich speciaal op de rol van Manhave en Janssen. Als Manhave aanwezig geweest zou zijn, zou hier zonder twijfel melding van zijn gemaakt. Manhave maakte overigens ook geen deel uit van het ere-comité dat in 1923 werd samengesteld om het standbeeld op te richten. Waarom is niet duidelijk. (terug naar de tekst)

    Bovenkant pagina

Terug naar NRC Webpagina's © NRC HANDELSBLAD ([email protected])