Rijksbegroting 1995
Nieuws uit NRC Handelsblad dinsdag 19 september 1995

Hulplanden kunnen vele projecten niet meer aan

Met geld en goede raad alleen komt geen ontwikkeling tot stand. Nederland en andere donorlanden hebben landen die hulp ontvangen in het verleden veel te lang opgelegd hoe zij zich moesten ontwikkelen. De samenwerking gebeurde te weinig op voet van gelijkheid.

Dat zegt minister Pronk in zijn "herijkte' begroting voor 1996 van 7,1 miljard gulden. Hij erkent dat de veelheid aan projecten voor een groot aantal landen een onoverkomelijke belasting vormt. Bovendien komen veel projecten pas jaren na de aanvankelijke toezegging van de grond. Hij kondigt aan dat er om die reden in de toekomst minder projecthulp zal worden gegeven.

Integratie met buitenlands beleid, internationale veiligheid, milieu en economie is de nieuwe missie die Ontwikkelingssamenwerking zichzelf heeft opgelegd voor de komende jaren. Deze "ontschotting' is het resultaat van de herijkingsnota van Buitenlandse Zaken en de kritische evaluatierapporten van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking te Velde (IOV) over Nederlandse ontwikkelingsinspanningen in de Derde wereld.

Ontwikkelingssamenwerking is volgens de toelichting op de begroting in de loop van de afgelopen jaren steeds meer op terreinen terechtgekomen die niet tot het oorspronkelijke beleid behoren. Bij de ontwikkeling van de landen waaraan hulp werd gegeven om economische zelfstandigheid te stimuleren stuitte Ontwikkelingssamenwerking steeds vaker op milieuproblematiek, schendingen van mensenrechten en conflictsituaties. Ontwikkelingshulp los zien van die zaken is volgens de herijkingsnota en de toelichting op de begroting 1996 niet langer mogelijk. Het verlenen van noodhulp zal een steeds grotere rol gaan spelen.

Door het inzetten van verschillende instrumenten, waaronder ontwikkelingssamenwerking, moet Nederland krediet opbouwen, vooral bij landen waarmee een langdurige ontwikkelingsrelatie bestaat. Zij kunnen mede dankzij ontwikkelingshulp aansluiting vinden bij de wereldmarkt en partners worden. Vervolgens kan Nederland met die landen handelsrelaties aangaan en de diplomatieke verhoudingen verbeteren.

Ambassades moeten ook een grotere vrijheid hebben om hulpverlening tot een succes te maken. In het verleden is volgens de toelichting op de begroting te weinig rekening gehouden met de beschikbare lokale kennis en vaardigheden. Inbedding van activiteiten in lokale structuren was lang niet altijd gewaarborgd, aldus de toelichting van Pronk.

Het ontwikkelingsbeleid dat Nederland sinds de jaren vijftig voert, werd recent stevig geëvalueerd. Verbetering van kwaliteit en effectiviteit moet leiden tot minder hulpprojecten en meer op een land toegesneden vormen van hulp. Verder komt er een evaluatiesysteem en krijgen de ontvangers van de hulp meer eigen verantwoordelijkheid. Binnen de groep van ontvangende landen zal een aantal landen breed samengestelde hulp ontvangen, andere landen krijgen hulp in specifieke sectoren.

Pronk wil grotere nadruk leggen op armoedebestrijding van onderaf, culturele factoren, goed bestuur en de nauwe relatie tussen noodhulp, wederopbouwhulp en de eigenlijke ontwikkeling. Hoe effectief ontwikkelingshulp precies is, zal nooit vast te stellen zijn. Maar volgens de toelichting op de begroting helpt goede hulp op een of andere manier altijd. Om de effectiviteit vast te stellen is ontwikkelingsbeleid het meest intensief geëvalueerde terrein van overheidsbeleid, schrijft Pronk.

De "zuivere' uitgaven voor Ontwikkelingssamenwerking blijven, net als vorig jaar, op een niveau van ongeveer 0,8 procent van het bruto nationaal produkt (bnp). Het één jaar oude regeerakkoord ging nog uit van een stijging naar 0,9 procent in 1998. Het bedrag kan in de komende jaren schommelen tussen de 0,75 en 0,85 van het bnp, al naar gelang de prioriteiten die Nederland in het totale buitenlandbeleid wil leggen. Dat is in de herijkingsnota vastgelegd. De 0,8 procent van het bnp ligt boven het door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde minimum van 0,7 procent voor ontwikkelingshulp (de ODA-norm, Official Development Assistance). Slechts vier landen, waaronder Nederland, geven meer uit.

Ten opzichte van vorig jaar groeit de begroting van Ontwikkelingssamenwerking met ruim 400 miljoen gulden naar 7,1 miljard, met naast de zuivere hulp ook een post van ongeveer twintig procent voor "onzuivere' uitgaven als de opvang van asielzoekers en bijdragen aan vredesoperaties. De stijging van de totale begroting komt ten goede aan landenprogramma's en financiering via internationale organisaties en hulp aan de Antillen en Aruba. Ook medefinancieringsorganisaties, zoals Novib, Icco, Hivos en Cebemo, gaan er de komende vier jaar relatief op vooruit.

Hoewel de Nationale Adviesraad eerder dit jaar aandrong op het terugbrengen van het aantal landen waaraan ontwikkelingshulp wordt verstrekt, gaat de begroting uit van hetzelfde aantal landen als vorig jaar, namelijk 56.




NRC Webpagina's (c) NRC Handelsblad (19 SEPT. 1995 / web@nrc.nl)

Voorpagina | Supplement | RIJKSBEGROTING 1995