N R C   H A N D E L S B L A D  -  C O L U M N S
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

KAREL KNIP
Eerder verschenen
columns


JL HELDRING
HJAHOFLAND
ROEL JANSSEN
CS VRIJDAG
ELSBETH ETTY
YOUP VAN 'T HEK
PAUL DE LEEUW
LEO PRICK

KAREL KNIP


17 maart 2001

Merels, damp, maan


De tjiftjaf is geland. Gisteren en niet ver van het AW-observatorium. Drie dagen later dan in 2000 en 1999 maar toch nog mooi vroeg voor de gure kantoorwoestijn aan de rand van 's werelds grootste havenstad. Het klimaat verandert, het broeikaseffect werkt.

Vandaag geen woord meer over dat effect, want vandaag is het brievendag. Niet dat de laatste AW-afleveringen veel pennen los maakten, maar ook de geïsoleerde brief kan men niet laten verstoffen en bovendien welt ook binnen de AW-redactie wel eens een reactie op: redactiereactie. Bijvoorbeeld over de merelzang die op 17/2 werd besproken. Tegen de gewoonte van gevestigde biologen in werd toen nagedacht over de emoties die de merel bij het zingen ondergaat. Het aantoonbaar effect van zijn zang is dat hij de grenzen van zijn territorium aangeeft. De AW- vraag was of de merel dit zelf wel weet, of hij niet gewoon voor zijn plezier zingt. Er zijn wat waarnemingen die daar op wijzen. Maar nu de paarvorming in volle gang is en merelgevechten aan de orde van de dag zijn nu zijn er weer nieuwe waarnemingen die de zang in een ander licht plaatsen. Bijna dagelijks kan men horen hoe een tot razernij gebrachte merel een concurrent scheldend en tierend achtervolgt en de tuin uitjaagt. En niet zelden hoort men hem daarbij delen van de zang door de scheldtirade werpen. In volle vlucht, als het zo uitkomt. Dat voert toch weer eerder tot de conclusie dat in de zang vooral uitdaging, bravoure en bedreiging klinkt en dat het merellied eerder staat op het niveau van 'hihahondelul' dan van 'knaapje zag een roosje staan'.

Het betreffende merelstukje ging in eerste instantie over de vraag hoe oud merels worden. Of de merel die vandaag zingt dat volgend jaar ook nog kan. Internetbronnen wekten de indruk dat de gemiddelde leeftijd van de merel erg laag ligt, nog niet bij twee jaar. Maar het is van doorslaggevend effect of daarbij de sterfte van kuikens in het nest en kort na het uitvliegen is meegeteld, het kan wel zijn dat de gemiddelde levensverwachting van de merel die één winter is doorgekomen heel behoorlijk is. In ieder geval kreeg het Vogeltrekstation in Heteren wel ringen terug van merels die al zeker 17 jaar oud waren geworden. Hoopgevend is ook de waarneming van een lezeres in Purmerend die met hulp van meelwormen een soort persoonlijke band ontwikkelde met een merel en al zeker zeven jaar meelwormen uitreikt aan dezelfde vogel.

Over paarvorming gesproken: op 6 januari is de wetenschapsquiz besproken die een onjuiste afhandeling had gegeven van de vraag naar de kans dat twee gasten in een café op dezelfde dag jarig zijn. De vraag was onzorgvuldig geformuleerd en bovendien was een kleine maar hardnekkige complicatie over het hoofd gezien: er worden niet in elke maand van het jaar evenveel kinderen geboren.

In Nederland was er vroeger (jaren vijftig en zestig), blijkt uit CBS- tabellen, jaarlijks een kleine geboortepiek in de periode maart-mei waaruit vruchtbaar intiem contact in juni-augustus kon worden afgeleid. Zomeropwinding. Tegenwoordig is het effect wat minder uitgesproken, werd er van AW-wege aan toegevoegd met een half oog op die volle CBS- tabellen.

Met een heel oog was de conclusie anders geweest: de statistiek toont aan dat de geboortepiek tegenwoordig in de periode juli-september valt. De bijbehorende conceptie valt in oktober-december, als het gezin het comfort van de lange avonden, de warme kachel en het dikke dekbed heeft herontdekt. Het toeval wilde dat de Britse National Statistics eind februari voor Britse gezinnen tot dezelfde conclusie kwam. Ook de Britse geboortepiek ligt nu in de zomer.

Met het stijgen van de buitentemperatuur dalen de kansen om bij het uitademen nog adempluimen op te wekken. Technische literatuur, hier op 16 december geciteerd, gaat ervan uit dat de adempluim pas bij een temperatuur van zeven graden Celsius of minder zichtbaar wordt. In werkelijkheid ligt de kritische waarde eerder bij een graad of elf, twaalf. (Het hangt natuurlijk ook af van de relatieve luchtvochtigheid.) Dat is de temperatuur die deze dagen regelmatig wordt gepasseerd en er is dus een mooie gelegenheid voor zelfonderzoek. Wat juist bij het omslagpunt duidelijk wordt is dat het inderdaad uitmaakt als men de adem wat langer binnen houdt: dan is-ie warmer en natter. Als de waarneming niet bedriegt is er ook een onevenredig sterk effect van extra condensatiekernen in de adem, bijvoorbeeld van een een restje sigarenrook.

De variabele snelheid van de maan in haar maanbaan (24/2) blijft nog een probleem. Een eerste AW-berekening leert dat de snelheidsvariatie twee keer zo groot is als op grond van Keplers perkenwet (en de variabele afstand aarde-maan) moet worden aangenomen. Later meer. Hartverwarmend was het te merken hoeveel hbs-ers en amateur kosmograven zich ergeren aan de losheid waarmee kunstenaars de ondergaande wassende maan afbeelden. De maan te veel rechtop, de bolling de verkeerde kant op, enzovoort. Nu komt opeens van het zuidelijk halfrond een e-mail dat daar de wassende man ècht heel anders ondergaat dan hier. Ook daar wordt nog over nagedacht.

Karel Knip

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad