N R C   H A N D E L S B L A D  -  C O L U M N S
NIEUWS  TEGENSPRAAK  SUPPLEMENT  DOSSIERS  ARCHIEF  ADVERTENTIES   SERVICE

KAREL KNIP
Eerder verschenen
columns


JL HELDRING
HJAHOFLAND
ROEL JANSSEN
CS VRIJDAG
ELSBETH ETTY
YOUP VAN 'T HEK
PAUL DE LEEUW
LEO PRICK

KAREL KNIP


27 januari 2001

Leguaangemoed

Karel Knip
Lang mijmeren en besluiteloos piekeren op de chaise longue de afgelopen week toen steeds weer de Galapagos-eilanden in beeld kwamen. Met die rare zeeleguanen, vliegloze aalscholvers en warmwaterpinguïns.

Veel was er dat de ergernis wekte. De olie zelf natuurlijk, maar ook de Ecuadoraanse gezagsdragers, de onholpen autochtonen met hun emmertjes, de gretig toesnellende zeehondenredster en de meer dan overdreven aandacht van de televisiejournalistiek. Kennelijk zijn de Galapagos een goedverkopende toeristenbestemming geworden. Overdag tot de knieën in de endemische soorten en 's avonds aan boord van het cruiseschip een fijne lezing over Darwin.

Ergernis was er vooral over het feit dat niet te binnen wilde schieten wat het nu precies was dat Darwin op het spoor van de evolutieleer en de soortvorming zette. Darwin was geen man van de puntige formulering, dus eentweedrie opgezocht is het niet. Dick Hillenius wist het, hij beschreef het in zijn boek 'De vreemde eilandbewoner' (Arbeiderspers, 1976), maar ook dat heeft geen samenvatting voor beleidsmakers. In de herinnering betoogde Hillenius dat de kruisingsbarrière die tot soortvorming leidt bij elke eilandengroep weer anders in elkaar kan steken. Soms pakte een eenmalige invasie op elk afzonderlijk eiland anders uit, soms werd de archipel steeds opnieuw, maar met grote tussenpozen, vanaf een nabijgelegen vasteland gekoloniseerd. Ook wordt aangenomen dat één enkele invasie van één soort op één onbewoond eiland, met zijn keur aan onbezette niches, tot de vorming van grote hoeveelheden ondersoorten kon leiden.

Hoeveel tijd er nodig is voor de vorming van een beetje stabiele ondersoort krijg je maar zelden te horen. Een bevriende vrijetijdsevolutionist meende dat voor vogels een paar eeuwen wel genoeg zou zijn. Kort daarna rees de vraag of dieren met een kortere generatiecyclus het dan niet sneller konden. Het AW-labo herbergt al dertig jaar een soort mini-Galapogos die wordt bewoond door ontelbaar kleine springstaartjes. Springstaarten (Collembolen) zijn millimeter- kleine grauwwitte vleugelloze insectjes die zich, buiten de ongerepte natuur, vooral goed handhaven op de vochtige potgrond in de bloempot. Een enkeling specialiseert zich in vroegchristelijke wandelingen over het water van het zoetwateraquarium. Want de springstaart heeft vocht nodig, zonder voldoende water verkommert hij. De springstaart die uit de bloempot springt komt aan een ellendig eind en voor de AW-springstaarten is de stoffige labo-vloer dus wat de Galopogos-zee was voor de Darwinvink: een onoverkomelijke hindernis. Wat de bloempotten overkwam wijkt dus evolutie-technisch gezien in geen enkel opzicht af van hetgeen de Golagapos-eilanden overkwam toen daar de eerste Darwinvinken binnenvlogen.

Daarom lijkt het wel zeker dat na dertig jaar water geven ook in de AW- archipel nieuwe soorten zijn ontstaan. Springstaarten met vreemde specialismen of een afwijkend paargedrag, kleine dingetjes op hun niveau. Het probleem is: hoe zie je in hemelsnaam dat zich een endemische springstaart heeft ontwikkeld? Dick Hillenius had het geweten, maar Dick is dood. De moed ontbrak om een entomoloog te bellen.

Zo bleef ook het zeeleguaanraadsel door gebrek aan doorzettingsvermogen onopgelost. De Galagopos-eilanden liggen op de evenaar en blikkeren dagelijks in de tropenzon maar ze zijn omgeven door betrekkelijk koud water. Geen plek op de evenaar waar het zeewater zo koud is als juist daar. De koelte wordt aangevoerd door de Humboldtstroom die vroeger Perustroom heette, of andersom, en verklaart de grote rijkdom aan vissoorten waar de pelikanen, jan-van-genten, pinguïns en ook de vliegloze aalscholver op zijn aangewezen. Alleen als de El Niño waait wordt het tijdelijk wat warmer.

Denk nu aan het feit dat de zeeleguaan een koudbloedig reptiel is dat regelmatig vanuit de felle tropenhitte die koude zee in moet om zeewier te gaan eten. Wat betekent dat voor zijn gestel en zijn gemoed? Hoe houdt hij het bloed stromend? Komt het niet geregeld voor dat hij al geheel verstijfd is voor hij besloten had maar weer eens op zo'n Galopagas-eiland te klimmen? Of zijn juist dit soort onbezonnen reptielen al lang Darwingewijs weggeselecteerd? De evolutieleer past overal een mouw aan. Je weet bijna zeker dat het daar op die cruiseschepen 's avonds na de bingo nooit over gaat.

Een volgende keer wat meer over de boeiende Galopogas-eilanden, tenzij de naburige Popocatepetl tot uitbarsting komt. Dan eerst die. Nu nog even terug naar het Siberisch spuug van vorige week. Na een kort AW- experiment viel de conclusie dat de bewering dat uitgespuugd spuug in Siberië bij min 55 graden Celsius bevroren is voor het de grond raakt een verzinsel moet zijn. De Rus Varlam Sjalamov heeft het beweerd maar een vriendelijke lezer in Voorschoten stuurde een citaat uit Jack Londons 'To build a fire' waarin al hetzelfde werd gezegd. 'He knew that at fifty below spittle crackled on the snow, but this spittle had crackled in the air' schreef London in een passage waarin uiteindelijk wordt vastgesteld dat het 'seventy-five below zero' was. Het zijn waarden in Fahrenheit, in Celsius is het respectievelijk min 45 en min 60 graden. Dat zit wonderlijk goed in de buurt van de Russische opgave en zou dus reden zijn om aan de AW- conclusie te twijfelen.

Toch toonde een nieuwe proef aan dat water van ongeveer 85 graden dat bij een omgevingstemperatuur van 4 graden van twee meter hoog druppelt in een goed isolerend piepschuimen bekertje bij de landing hooguit 35 graden kouder is geworden. De nog niet geattaqueerde AW-stelling is dat druppels van 85 die vallen door lucht van 0 sterker afkoelen dan die van 35 die vallen door lucht van min 50. In de laatste druppels speelt afkoeling door verdamping een geringere rol. Het effect zou kunnen worden gecompenseerd door een grotere uitstraling maar waarschijnlijk is dat niet. Niet onvermeld mag blijven dat een lezer in Canada bij zeer strenge vorst graag bellen blies (van zeepsop) om ze voor zijn ogen te zien bevriezen, verkreukelen en op de grond in scherven vallen. Ongelogen.

Karel Knip

    Bovenkant pagina

NRC Webpagina's © NRC Handelsblad